Le Bohémien - 3

Het is een dodelijke val

IMG_6373De bobbel op zijn arm is nu groter en roder en doet meer pijn dan daarnet. Onderhuids prikken naalden in zijn huid, van binnen naar buiten. De bobbel gloeit ook. Hij kan niet anders dan eraan krabben. Hij zet de afwas op het pad en krabt. Het liefst scheurt hij het ding helemaal open, maar dat lukt niet met zijn afgekloven nagels.

Niet krabben!

Hij schrikt. Hij heeft niet gemerkt dat zij naast hem is komen staan. Zo vlak naast hem. Echt heel dicht bij hem. Er zit hooguit een meter tussen hen in.

Niet krabben, dan ontsteekt het. Het gif moet eruit.

Ja dat kan, antwoordt hij, maar hoe haal je gif uit zo’n wonde?

Zij buigt zich naar zijn arm toe, plaatst haar lippen over de wonde en zuigt. Hard. Dan spuwt ze een paar keer op de grond.

Dit voelt wel heel erg ongemakkelijk. Zij dringt zomaar zijn intieme cirkel binnen. Zijn maag trekt samen. En hij voelt tegelijkertijd de drang om ook aan haar arm te zuigen. Zij heeft geen insectensteek, dat houdt dus geen steek. Verwarrend. Hij staat te trillen op zijn benen. Het spuwen vindt hij dierlijk, walgelijk, maar het wakkert diep vanbinnen diep een oergevoel aan.

Zo, zegt zij.

Ja, antwoordt hij, dank je.

Wat nog meer?, denkt hij. Wat kan er nog meer zijn dan dit? Hij staart naar het zand en de steentjes op de wegel. Naar de natte plek. Daar heeft zij gespuugd. Dichterbij ziet hij haar voeten. De tenen zijn perfect, vormen een mooie schuine lijn, netjes naast elkaar, niet krom, niet te dik, niet te dun. Mooie teennagels, niet gelakt. Een opluchting. Hij vindt gelakte teennagels opdringerig en raar. Geen grote voeten, goed, een kleine vrouw met kleine voeten. Vooraan een vrij breed voetbed, maar opvallend smalle hielen. Heel schattig.

Hebben jullie een goede plek?, vraagt zij.

Staart hij nu werkelijk naar haar voeten? En heeft hij zin om die te strelen of te kussen? Hij gelooft zijn eigen gedachten niet. Voelt hij begeerte? Hij? Dat is quasi onmogelijk.

Plek?, hoort hij zichzelf vragen. Voor Muriëlle heeft hij liefde gevoeld en dat was genoeg. Lust of begeerte kwamen er niet bij kijken. Liefde voor elkaar en hun kinderen, dat klopte, biologisch, bijna wiskundig.

Ja, kampeerplaats.

Daar. Hij wijst in de richting van een zonovergoten weide waar hun tent staat, maar hij kijkt nog steeds naar haar voeten. Die teentjes, zo lief, zo koddig.

In de Potager, zegt hij terwijl hij de aandrang voelt om haar enkels te liefkozen.

Oei, knal in de zon.

Ja, warm. Heet zelfs. Haar enkels, haar voeten! Haar kuiten strelen en wie weet wat nog meer. Hij wil hier zo snel mogelijk weg, bij haar vandaan.

Niet te doen toch met die warmte. Vroegen jullie geen plaats in de schaduw?

Toch wel, maar er was een misverstand.

Jan kijkt op van de grond en van haar voeten en merkt dat zij hem aankijkt, dat zij hem recht aankijkt. Daar voelt hij zich heel erg ongemakkelijk bij, want er is iets met haar, aan haar. Een twinkeling in haar ogen die er de vorige keer niet was. Geeft het licht haar huid een gulden tint?

Heeft zij gemerkt dat hij naar haar voeten staarde? Denkt ze dat hij naar de grond kijkt omdat hij beschaamd is? Of neemt ze er aanstoot aan? Voeten zijn intiem en ze kan hem als opdringerig en onwelvoeglijk beschouwen.

Wanneer ze vraagt hij hij heet, stelt hij opgelucht vast dat ze geen acht sloeg op zijn staren. Hij vraagt hoe zij heet. Zij heet Lies. Eigenlijk Lisa-Marie, maar iedereen zegt Lies.
 Een heel gewone naam en hij klinkt Jan niet al muziek in de oren. Haar enkeltjes, haar puntige enkeltjes, extra geaccentueerd door de strak gespannen achillespees, die zijn muziek voor zijn ogen.

Dat is een flinke wespensteek, heb je er een zalf voor?

Dat zal ik eens aan mijn vrouw vragen.

Ach, je vrouw, hoe heet zij?

Hij vertelt dat Muriëlle Muriëlle heet en ook dat hij drie kinderen heeft. En zij vertelt dat ze twee kinderen heeft, Caz en Lou, acht en elf, net als zijn Max en Juliette.
Zij snuffelen verder verbaal aan elkaar, twee honden die elkaar ontmoeten, elkaars geur opsnuiven om hoogte te krijgen van elkaar. Voor Jan is dit vreemd, hij is hier geen held in. Ook al gaat zo’n gesprek zogezegd over niks, je weet nooit wat je wel en niet mag zeggen, het kan later altijd tegen je gebruikt worden.
Met Muriëlle praat hij nooit zomaar. Zij wisselen feiten en informatie uit. Enkel noodzakelijke informatie. Maar hier bij Lies komen de woorden vanzelf, door haar gepraat, spreekt hij ook. Zij vertelt over haar sporten, kajak, rotsklimmen en mountainbiken. Hij speelt schaak. Zij komt geregeld tot rust op yogaretraite, wordt één met zichzelf en het universum. Hij leest. Boeken en de krant.

Haar enthousiasme, haar leuke accent, hoe ze met veel zwier en schwung vertelt, het maakt iets los bij hem. Een energie, die gaat stromen, alsof hij zelf aan het sporten is.
Hij vertelt dat hij als kind ook eens in een kajak heeft gezeten. Hij vertelt er niet bij dat hij toen afdreef naar de andere kant van het meertje en in huilen uitbarstte en pas kalmeerde nadat iemand hem had teruggesleep naar de oever waar zijn mama op hem wachtte om hem te troosten. En zijn vriendjes om hem uit te lachen.
Zij heeft al veel sportieve avonturen meegemaakt. Jan maakt alleen avonturen mee in boeken. Jan leeft, maar beleeft niet. Daarvoor moet je je huis uit en dat doet Jan niet.

Ik ga douchen, zegt Lies. Ik neem elke dag een douche om half acht. Noem mij gerust neurotisch, lacht zij met een twinkeling in haar staalgrijze ogen, die prachtig gevormd zijn, met lichtjes hangende oogleden, iets wat je als storend of minder mooi kan beschouwen, maar Jan heel erg charmeert. Het maakt haar ogen pittig en schattig. Zo is zij ook in zijn ogen: pittig en schattig.

Neurotisch, lacht Jan, neenee, dat is niet neurotisch, ik douche ook elke dag om half acht en ik ben ook niet neurotisch.

Goed, ik zie je nog, zegt ze terwijl ze wegwandelt en ze voegt er quasi terloops aan toe: morgen is er een voetbalmatch en we zoeken nog wat papa’s om mee te sjotten. Doe je mee?

Ja, ja, natuurlijk, stamelt hij, voetbal, fantastisch!

Voetbal, denkt hij terwijl hij naar zijn tent stapt, voetbal … ik kan niet voetballen. Er komen beelden bij hem op van voetbalmatchen op school waar hij altijd als laatste werd gekozen bij de teamvorming en dan ergens achteraan mocht staan waar hij weinig schade kon berokkenen, waar hij zelfs doelpunten voorkwam, door over de bal of een andere speler te struikelen.

Op het onmogelijke kampeerfornuisje warmt Muriëlle ravioli uit blik op. Zij is in de weer als een echte kokkin, terwijl dit niks inhoudt, blik opendoen, inhoud opwarmen, klaar. Zij draagt een badpak en haar schriele lichaam valt hem weer op. Hij vindt dat zij zichzelf uitmergelt, geobsedeerd is door vermageren nadat zij hun drie kinderen op de wereld zette. Hij begrijpt het niet en vindt het niet mooi, maar laat haar in haar waardigheid en zegt er niks over.
Maar neem nu die Lies, zij heeft ook twee kinderen én een afgetraind, vol lichaam, gezond en gespierd. Heel wat anders dan Muriëlle die zich laat gaan.

Zeg, antwoord je nog?, vraagt Muriëlle iets luider dan nodig waarmee ze Jan uit zijn mijmering haalt.

Hij zegt: Voetbal, morgen is er voetbal en ik ga meedoen met de kids.

Muriëlle kijkt hem verbaasd aan. Voetbal? Jij haat voetbal.

Zo doen de kinderen iets actiefs hier op de camping. En ik ook, voegt hij er aan toe.

Ja, maar voetbal, Jan?, haar verbazing klinkt als een verwijt.

Denk je nu werkelijk dat ik niks kan?, snauwt hij. Ik wil actief zijn met de kinderen, blijf jij maar weer bij de tent.

Muriëlle roert verder in de ravioli. Even later zegt ze zakelijk: Het eten is klaar.

Wat je eten noemt, mompelt Jan binnensmonds.

De kinderen smullen, Jan eet en Muriëlle heeft al genoeg na een paar happen. Ze praten enkel met de kinderen, niet met elkaar. Ze eten de hele pan ravioli leeg.

Na het eten haalt Jan een handdoek en douchegel uit de tent.

Ik ga douchen, zegt hij.

Wordt vervolgd …

Le Bohémien – 2

Rondzweven in een stuk blik, en niks kunnen doen

IMG_3625Jan reist graag, maar kamperen? Toen hij nog met zijn ouders reisde, wees zijn moeder kampeerders aan met een minachtend knikje: ‘Daar, campingvolk’. Ze liet niet na daarbij te zeggen dat je ‘die soort’ herkende aan hun identieke trainingspakken in glanzende stof, dat zij in een tent sliepen waar ongedierte vrij baan had of in een caravan huisden met een schotelantenne erop en plastic tuinmeubels ervoor en ‘dat het toch altijd iets was met dat volk’ toen in de krant stond dat een camping werd geëvacueerd omdat hij bij hevig regenweer geïnundeerd was geraakt of in brand was gevlogen door een ontploffende tankwagen. Altijd iets, en dat had je niet op hotel. Toch niet als je, zoals zij, de beste hotels wist te kiezen.

Dus deed Jan cultuurreizen met zijn ouders, vrienden of zijn lief en sliep hij tussen schone lakens in een nette slaapkamer met een propere badkamer. Zo had hij onder meer Rome, Parijs, Kopenhagen en Firenze bereisd. Steeds op hotel. En liefst een hotel waar het personeel attent en vriendelijk was. Waar je dan ook voor betaalde, maar goed, het maakte het reizen niet alleen aangenaam, maar vooral ook draaglijk. Bovendien wist het hotel waar je een dokter of een ziekenhuis kon vinden. Dat gaf een gevoel van veiligheid dat hij wel op prijs wist te stellen.

Veelal boekten zijn ouders een kamer met uitzicht. Jan werd dan wakker, trok de gordijnen open en zag de ochtendzon op de Santa Croce schijnen. Of hij keek elke avond vanuit zijn hotelbed naar de kleurrijk verlichte Eiffeltoren.

Kamperen was Muriëlles idee. Zij ging als kind al kamperen met haar ouders en vier broers. Wanneer zij vertelde over hoe zij op haar veertiende in een tentje sliep met om zich heen de stilte van een Alpennacht, kwam er een dromerige uitdrukking op haar gezicht. En die veranderde in een enigszins geile blik in haar ogen als ze het over de kampeertocht had met Jurgen de speleoloog die met haar de diepe ondergrond van de Hardangervidda was binnengedrongen.

Was het die ene blik die Jan verrassend snel overhaalde om te gaan kamperen? Hij zag in elk geval niet in hoe hij drie weken met drie kinderen en een leger ongedierte zou overleven met enkel een zeildoek tussen hemzelf en de brute buitenwereld. Maar er zou een wereld voor hem opengaan beweerde Muriëlle.

En ze had gelijk. De automatische deuren van de kampeerwinkel schoven open, Jan aanschouwde eindeloze rekken vol kampeermateriaal en voelde zich meteen zo opgewonden als een kind in een speelgoedwinkel.

Zakmessen met 88 functies, pepperspray om beren af te weren, een survivalmes om wild te villen én vuur te maken in het midden van het niets, zelfs bij regenweer. Een kompas met ingewerkte nagelvijl en tandenstoker. Dit was dus de plek waar échte mannen, die met de houthakkershemden, hun gerief haalden!

Terwijl hij de inhoud van een EHBO-kit voor trekking en survival bestudeerde, maakte Muriëlle hem er attent op dat ze de bewoonde wereld niet zouden verlaten. Koken zouden ze doen op een kampeerfornuis met een kleine blauwe bidon butagas, slapen op luchtmatrassen met kampeerbeddengoed en er zou altijd wel een dorp met een apotheek in de buurt zijn daar in het zuiden van Frankrijk. Wat ze vooral nodig hadden, was een degelijke tent voor vijf personen.

Tot zijn grote ergernis duurde het twee uur om die tent te kiezen. Ze vroegen raad aan een verkoper, een ‘outdoor advisor’, die hen minstens zes tenten liet zien en zich geroepen voelde om er in detail uitleg over te geven.

Dit is een tent voor vijf personen.

Vijf?, vroeg Jan verbaasd. Dan zouden ze op elkaar moeten liggen, of allemaal op hun ene kant, als potloden op een rij.

Ja, een slaapruimte voor twee en een slaapruimte voor drie.

Ik zie hier nog geen vijf mensen in liggen.

Er is plaats voor vijf slaapmatjes, wij bij Outdoor rekenen altijd in slaapmatten, eigenlijk.

Wij rekenen in luchtmatrassen, eigenlijk.

O, dan zal het maar met vier lukken vrees ik.

Vrees ik ook, en ik vrees dat we drie kinderen hebben.

Dan zoeken we eigenlijk beter naar een andere outdooroplossing voor u.

Dat vreesde ik al, zei Jan en hij liet zich meevoeren naar tent nummer zeven.

Muriëlle vond dat hij bijzonder negatief was en dus nam hij zich voor om verder gewoon aandachtig te luisteren naar het gepalaver van de outdoor advisor over slaapcomfort, waterkolommen en scheurweerstand.

Het lukte hem niet. Hij zag zichzelf niet in een tent, in een slaapzak op een isolerend matje. Hij zag zichzelf niet in de buitenwereld. Hij zag zichzelf in een wereld van zacht beddengoed op de dikke matras van een antiek eikenhouten bed in een luxueuze hotelkamer. Hij zag zichzelf in een wereld van rust. Een wereld zonder kinderen, zonder Muriëlle. Een wereld waarin hij alleen verantwoordelijk was voor zichzelf, waar hij van niemand last had.

Hij staarde naar lichtgewicht potten en pannen en hoorde dat ze gemaakt waren uit hetzelfde materiaal als het hitteschild van de space shuttle. En hij knikte. En hij kreeg het beeld voor ogen van de space shuttle die de blauwe lucht in klimt, hoger en hoger, met achter zich twee witte strepen. De camera zoomt in. De space shuttle raast de oneindige ruimte tegemoet.

Jan zit in de cockpit van de space shuttle. Ingepakt in een astronautenpak, onbeweeglijk klemgezet in een kuipstoel, maar desondanks onverbiddelijk door elkaar geschud door het trillen van het ruimtetuig, achterovergedrukt door G-krachten, voortgestuwd op een bom vol brandstof. En hij vraagt zich voortdurend af wanneer die bom zal afgaan.

Echte astronauten vragen zich niet af wanneer de raket uit elkaar zal spatten. Echte astronauten denken aan de protocols die ze moeten volgen om het ding de ruimte in te krijgen en aan de taken die zij straks in de ruimte moeten uitvoeren, zij kijken uit naar het eindeloze zwart, bezaaid met sterren en planeten, zij staan niet stil bij mankementen in het systeem en ontploffende brandstoftanks. Zij behouden het vertrouwen in de techniek, zelfs in de seconden voor de knal, als de wijzers in het rood gaan, talloze verklikkerlichtjes gaan branden en alarmerend gepiep de cockpit vult. Enkel astronaut Jan beseft de hele vlucht dat dit de laatste vlucht is, dat het ruimtetuig uit elkaar zal spatten als een ordinaire vuurwerkpijl.

Muriëlle vroeg of hij rood of blauw plastic servies verkoos.

Zwart, zei hij.

Er is geen zwart, zuchtte Muriëlle.

Blauw dan, antwoordde Jan

Ze nam rood, haar lievelingskleur.

Jan laadde een plooitafel en vier plooistoelen op hun caddy.

Je spat in een fractie van een seconde uit elkaar. Versplinterd, verkoold, verpulverd.

Ze kozen een loodgrijze zespersoonstent met voortent en luifel.

Jan voelt het uit elkaar spatten. Huid, bot, pezen, spieren, ingewanden en hersenen die in het astronautenpak alle kanten op vliegen. Wat net nog zijn lichaam was, is nu een brij die in het ijle verdwijnt.

Ze kochten lichtgewicht bestek, een opplooibare keuken, een gasvuur met bijhorende bidon butagas, een bommetje dat mee in de koffer ging, slaapzakken die je zelfs warm houden tijdens een poolnacht en eersteklas luchtmatrassen.

Zij gaven een astronomisch bedrag uit aan alles wat nodig was om veertien dagen huisje te spelen in openlucht. Ongeveer de helft van de spullen paste in de autokoffer. Jan liet zich door Muriëlle overhalen om een dakkoffer te kopen met een imperiaal om de dakbak bovenop de auto te zetten. Na een half uur geklungel met inbussleutels, op de parking van de buitenwinkel, for all to see, was het ding nog niet gemonteerd.

Muriëlle had dan al vijf keer gevraagd ‘Gaat het, schat?’. Bij de zesde keer trok Jan uit verregaande irritatie en pure frustratie een lange diepe kras in de autolak, gooide de inbussleutel een eind de parking op en tierde dat het godverdomme niet ging, nee!

En toen moest de reis nog beginnen.

Wordt vervolgd …

 

© David Van Bambost – 03/09/2018

Le Bohémien – 1

Een barst, en het licht dat binnenstroomt

IMG_3517In het blauwe teiltje dat Jan in zijn ene hand draagt, past de afwas van één gezin. Borden, glazen en bestek, maar niet de braadpan. Die moet Jan in zijn andere hand dragen. Hij sloft over het stoffige pad van de tent naar het sanitaire blok. Slippers aan zijn voeten, zijn lange witte tenen steken onder de bandjes uit als voelsprieten. Als er iets aan zijn lijf is wat hij echt lelijk vindt, dan zijn het wel zijn lange, kromme tenen. Kleine steentjes en zand van het pad kruipen tussen het plastic van de slippers en zijn tenen.
Hij wordt gek van dat kriebelende, jeukende gevoel aan zijn voeten. Hij flippert het gruis weg, eerst de linkerslipper en dan de rechterslipper. Ondingen. Hij had zijn instappers moeten meebrengen. Maar daarvoor was geen plaats meer in de koffer. Wel voor Muriëlle haar watersandalen en haar bottines. Niet voor zijn comfortabele schoenen.

Er ritselt iets in het hoge, droge gras naast het pad. Hier zitten beesten, hij weet het. Dat is typisch voor het zuiden van Frankrijk. Hij heeft ze nogal gehoord deze week. Vermoedelijk slangen of hagedissen. Of anders muizen of ratten. In elk geval iets vies of giftigs. Dat kan niet anders op deze camping. Wat loopt hij hier eigenlijk te doen?

Er staan vier afwasbakken op een rij onder een golfplaten afdak. Twee ervan zijn bezet door luidruchtige Nederlandse kinderen. De clichés kloppen. Aan een andere spoelbak doet een roodharige vrouw de afwas. Hij schat haar rond de dertig, jonger dan Muriëlle, slankere heupen ook. Ze is niet erg groot en een Française te zien aan de pareo die ze draagt, of hoe zo’n wikkelding ook mag heten. Haar voeten zijn gebruind en ze draagt Birkenstocksandalen met een oranje riempje. Opvallend.

Jan knikt naar haar wanneer hij het teiltje neerzet in de afwasbak naast haar. Zij kijkt hem niet aan. Zij wast af. Hij doet afwasmiddel in het teiltje en draait de koude kraan open, dan de warme kraan.

Er komt geen druppel water uit de kraan, er klinkt een kort, droog geklop en vervolgens schiet de kraan met een knal de lucht in. Het water spuit in het rond. Jan krijgt de fontein vol in zijn gezicht. Hij is meteen drijfnat. De Hollandse kinderen gillen en lachen hem uit. ‘Klojo’ en ‘oen’. Jan staat perplex. Hij staart naar het blauwe teiltje en naar het gutsende water.

Jan is een man die niet reageert, nooit, tenzij het hem allemaal teveel wordt. Muriëlle noemt hem traag. Jan noemt zichzelf bedachtzaam. Hij weet wel dat hij dingen opkropt om dan te ontploffen. Maar meestal relativeert hij liever dan hij reageert. Zo blijft Jan gelukkig. Geen conflicten, geen gedoe. Een klein beetje oorlog is soms écht niet beter. Dat weet hij van zijn werk op het Nationaal Geschiedkundig Instituut.

Ondertussen is hij kletsnat, short en poloshirt zijn doorweekt en hij staat met zijn slippers in een kleine modderpoel. Hij vindt het een onaangename gewaarwording, maar kan alleen maar kijken hoe het water uit de buis gulpt.

Pas als het water stopt met lopen, ziet hij dat zij op haar knieën onder de wasbak zit. Hij ziet de welving van haar natte voetzolen, de slanke enkels die overgaan in smalle gespierde kuiten. ‘Vreemd, dat ik hiernaar kijk’, gaat er even door zijn hoofd. Dan kijkt hij naar haar en ziet dat zij naar hem kijkt en een lach niet kan onderdrukken.

‘Jij bent héél erg nat’, zegt zij, ‘je moest gewoon de hoofdkraan dichtdraaien.’

‘Je spreekt Nederlands,’ antwoordt Jan. Een vaststelling, wat kan hij anders zeggen?

‘Dacht dat je Frans was.’

‘Nee, van Gent. En jij?’

‘Brussel’, zegt Jan.

‘Bon, allez, nog veel plezier met de afwas, die van mij is gedaan. Ik ga mijn voeten wassen. Ik haat modder tussen mijn tenen. Uw schuld.’

‘Grappig accent, met die r ergens achteraan in de keel’, denkt Jan terwijl hij de afwas doet aan een andere afwasbak. De kapotte kraan laat hij voor wat ze is. Hij kan ook niet alles oplossen. Hij moet op het werk al hele dagen problemen oplossen over dat rottig historisch algoritme. Nu is hij met vakantie. Jan is graag met vakantie. Hij houdt van het zonder tijd zijn. Van tijd die geen tijd meer is, maar een vloeiend geheel wordt.

Terwijl hij met de afwas in het teiltje terugloopt naar de tent, verdwijnt hij in de zinderende hitte die over het kampeerterrein hangt. Even is er geen Jan meer. Veel meer dan dit niet-zijn mag hij niet verlangen.

Hij landt wanneer hij een venijnige prik voelt. Op zijn arm zit een insect dat hij nog nooit heeft gezien. Een soort megawesp. Nog nooit gezien. Bestaat niet. Mag niet bestaan. In een paniekerige reflex slaat hij het beest van zich af. Het steekt hem nog een keer, wat nog meer pijn doet. Er verschijnt meteen een pijnlijke rode bobbel op zijn arm. Muriëlle zal hier wel raad mee weten. Hij sloft verder over het stoffige pad. Op zijn hoede, op deze rottige camping zit beslist nog gevaarlijk ongedierte.

Wordt vervolgd …

(Als eerste het vervolg lezen? Schrijf je rechts (daar ->) in om mijn blog te volgen.)

 

© David Van Bambost – 21/08/2018

Vrijheid, blijheid

‘Aha, een hele week het rijk voor jullie alleen, geniet ervan.’ ‘Profiteer van de vrijheid.’ Het zijn maar enkele van de sluikse, opgewekte reacties die ik krijg wanneer ik zeg dat ‘die twee’ een week op zomerkamp zijn.

Sluiks, want bij de felicitaties voor een-week-zonder-kinderen hoort een glimlachje dat iets suggereert. En we weten allemaal heel goed wát er wordt gesuggereerd: een week tijd voor losbandigheid, bacchanalen, oeverloos gezuip, boulimisch geschrans en promiscue uitspattingen. Vrijheid, blijheid! Het dak gaat eraf!

Maar vrijheid schuilt natuurlijk niet in de afwezigheid van anderen. Soms zijn ‘de anderen’ inderdaad de hel*, maar niet die twee. Die twee zijn op de wereld gezet om hier te zijn, niet om weg te zijn. Dat is geen vrijheid, dat is leegte (en oké, een zekere rust), dat is afstand, dat is gemis.
Vrijheid zit dus niet in hun afwezigheid. Waarin zit vrijheid dan wel? In een leeg agenda en een lege mailbox. Dagen zonder op tijd moeten zijn en zonder moeten tout court. Vrijheid zit ook in rondlummelen om het rondlummelen. Mogen zijn wie je bent. Dingen mogen doen en zeggen zonder direct oordeel, commentaar, jaloezie of afgunst. Vrijheid is iets schrijven dat niet moet worden gelezen, het is lopen zonder doel, denken zonder uitkomst. Vrijheid is ronddobberen in een boot op een meer, zonder meer.

IMG_5460Ik mis hun slaapkop bij het ontbijt, hun vermeende vechtpartijen in de zetel. Ik mis haar dansjes in de keuken en zijn uiteenzettingen over een PlayStation-spel. Ik mis zelfs hun ‘goh papa, pfff’ als ik politie-agent speel. Ik mis hen, maar ik geef hen graag de vrijheid om andere landen en mensen te ontdekken, om van alles te beleven, te zien, te leren, te proeven … om een week onafhankelijk en vrij te zijn.

 

*Vrij naar Jean Paul Sartre

Zweet

zij doet de oefening, werkt de training af

op het zuchtend tempo van haar adem

over het asfalt langs de beek

op het gejaagd kloppen van haar hart

over het grind van de dreef

op het drijvend ritme van de rolling stones

langs weiden en boerenvelden

spieren strak onder zwetend vel

de zon streelt haar gezicht

een glimlach in haar lijf

als zij de tijd heeft geklopt

en hij knielt voor haar

zijn koningin van de lange afstand

haar zweet is goud op zijn tong

David Van Bambost

www.eenzamehandschoen.com