Le Bohémien 
 6 – Had ik maar een boot, en een pony

De bobbel is uitgegroeid tot een rood-paarse bult van gespannen huid met een witte punt in het midden. Om mee te voetballen met Lies en de kinderen verdraagt Jan het vervelende gevoel aan zijn arm.

Ze spelen de finale van de Camping Cup. Jan staat in de goal. Hij zal winnen, met Lies aan zijn zijde zal hij winnen. Zij moedigt hem aan met hoge kreetjes, met zweterige knuffels en een aai over zijn hoofd. Hij duikt naar de bal, gooit zichzelf voor aanlopende spelers van de tegenpartij.

Dan komt de jongen met het Cruijff-shirt naar doel gestormd, bal aan de voet, vuur in de ogen, snelheid in de benen. Hij passeert de verdediging, de weg naar het doel ligt open, de jongen legt aan en schiet snoeihard. Jan ziet de zwaai van het been, hoort de doffe knal van de voet tegen de lederen bal en ziet die als een kanonskogel recht op zich afkomen, recht naar zijn gezicht.

Een lafaard zou wegduiken. Maar Jan is geen lafaard als Lies toekijkt. Jan doet wat hij moet doen: de bal stoppen. In een reflex slaat hij zijn armen voor zijn gezicht.

De bal knalt keihard tegen zijn armen en stuitert terug het veld in. Een misselijkmakende pijn schiet door zijn lijf.

Jan kijkt naar de plek waar de pijn vandaan komt. De bult is nu een krater waaruit bloed en pus stromen. Jan ziet plots grijze vlekken voor zijn ogen, voelt zich niet helemaal lekker en gaat op de doellijn liggen. De Nederlanders trappen de bal binnen.

De grijze vlekken verdwijnen, hij kijkt nu in de prachtige grijze ogen van Lies die bezorgd vraagt of het gaat. Hij knikt, gaat op handen en knieën zitten en staat dan rechtop. Hij wankelt, Lies slaat haar armen om zijn middel. Die omhelzing, die stabiliteit, zo wil hij eeuwen blijven staan. De wereld mag vergaan, als zij hier maar zo met hem blijft staan.

Max krijst: Papa, je bloedt! Heb je pijn, papa? Moet je naar het ziekenhuis?

Nee, jongen, stelt Jan hem gerust terwijl hij wou dat de kleine bemoeial zich even nergens mee zou bemoeien, dan kon Lies hem langer vasthouden.

Papa gaat wel even naar de tent om de wonde te verzorgen, het is oké, voetbal jij maar verder, bromt hij.

Hij wandelt naar de tent waar Muriëlle ligt te zonnen. Lies heeft een mooier lijf. Een gedachte die er niet zou mogen zijn, maar toch.

Jan, je staat in mijn zon.

Begint ze te zeuren over de zon, terwijl hij doodbloedt. Het is toch ongelooflijk.

En je drupt op mij. Zeg, dat is bloed, wat heb je?

Mijn bult is opengesprongen bij het voetballen.

En je bent natuurlijk van je stokken gedraaid.

Eh, ja.

En heeft Liesje je wakker gekust?

Wil je eens niet kinderachtig doen en mij gewoon verzorgen?

Nu ben ik wel goed genoeg hé, om je vieze wonden te verzorgen.

Niet lastig doen Muriëlle, dat helpt niet en het is nergens voor nodig.

Lies doet niet zo lastig, haar schaterlach geeft hem energie terwijl Muriëlle haar gezeur hem alleen maar nukkig maakt. Vanwaar trouwens die verwijten? Ze oogst wat ze zelf heeft gezaaid, een mislukte, magere oogst.

Muriëlle zucht. Ze bergt de verbandspullen op en zucht.

We moeten praten Jan.

Praten, Muriëlle, wij kunnen zoveel praten als we willen, we komen toch nergens.

Ga dan maar voetballen met je vriendinnetje. Muriëlle zet haar zonnebril op en gaat in de zon liggen.

En blijf uit mijn zon.

Het voetballen is gedaan, deze middag gaan we paardrijden.

Je blijft me verbazen, zegt Muriëlle cynisch, dan krijgt ze dat trekje om haar mond waardoor hij weet dat ze niet meer aanspreekbaar is.

De manege ligt op tien minuten rijden van de camping. Tijdens het rijden kijkt Jan af en toe naar Lies die naast hem zit, blote voeten op het dashboard, haren wapperend in de wind. Wat is ze heerlijk. Dit is zijn vrouw. Zelfs wilde paarden halen haar niet bij hem vandaan. Zij streelt even over zijn arm, ongemerkt voor de kinderen op de achterbank, dan over het verband. Liefdevolle pijn.

Muriëlle heeft gelijk, paardrijden is niks voor hem. Hij heeft ergens gelezen dat ruiter en paard één moeten zijn. Jan wil met veel dingen één zijn, vooral met Lies, maar met een paard?

Grote opluchting als hij hoort dat enkel de kinderen gaan ponyrijden. De volwassenen stappen mee en houden de pony’s aan de teugel.

Spartacus, waarop Max zit, is een gevlekte pony met karakter. Als Jan hem naar rechts stuurt, rukt de pony naar links, gaat Jan naar links, dan trekt de pony naar rechts. Jan wil dat Spartacus de rij volgt, maar het paard is machtiger dan de man en breekt de hele tijd uit. Lies lacht haar aanstekelijke schaterlach, met iets tussen medelijden en uitlachen in. Na tien minuten is Jan doorweekt van het zweet door het trekken en sleuren.

In de verte weerklinkt een donderslag. De vrouw van de manege roept achterom dat de meeste pony’s gewend zijn aan onweer, behalve Spartacus voegt ze er lachend aan toe, die is getraumatiseerd.

En zo stappen ze verder in een duffe warmte, onder een dreigende lucht, met een reeks vrolijke kinderen, één tegendraadse pony en één zweterige papa.

Dan kraakt een geweldige donderslag vlak boven hun hoofden, droog en hard. De kinderen gillen, de pony’s verstijven en Spartacus slaat op hol. Jan houdt hem tegen met al zijn kracht, waarop Spartacus steigert en met zijn volle gewicht zijn hoef op Jans voet plant.

Jan krijst rauw en hees, rotbeest!, laat de pony los, schopt hem met zijn goede voet, verliest zijn evenwicht en valt. Spartacus draaft het veld in en blijft daar abrupt staan.

Lies is onmiddellijk bij Jan, zijn reddende engel met rood haar en grijze ogen. Hij kreunt dat zijn voet verbrijzeld is, of toch minstens gebroken. De engel zegt dat de voet gekneusd is. Er moet zo snel mogelijk ijs op.

De Franse begeleidster zegt dat ze eigenlijk vlakbij de camping zijn en toont hem hoe hij daar snel kan komen via een smalle voetweg. Met de pony’s moeten ze nog een hele omweg maken.

En dus strompelt Jan via de voetweg naar de camping. Het voelt goed als iemand bezorgd om je is, denkt hij onderweg. Hij geeft toe dat Muriëlle ook zo was in het begin. Maar het begin ging voorbij. Na een tijdje was ook de Muriëlle van in het begin weg en bleef hij alleen over.

Hij hinkt langs een zij-ingang van de camping, voorbij het te koude zwembad naar de plek waar hun tent staat.

Wanneer hij bijna bij de tent is, hoort hij een vreemd geluid. Dierlijk gekerm. Een campingkat die ligt te sterven in het struikgewas bij hun tent?

Nee, het komt uit de tent en het is geen dier in nood. Het is Muriëlle, het is Muriëlle die komt. Lang geleden dat hij dit geluid hoorde, daarom herkende hij het eerst niet, maar nu weet hij het zeker, het is onmiskenbaar Muriëlle. En nog iemand. Ja, hij hoort nu ook dieper gegrom.

Hij deinst achteruit en kruipt weg achter een struik waar hij als verlamd blijft zitten ook al is dat niet veilig. Onder zo’n struik kan zich evengoed een slang of ander venijn schuilhouden.

Het gekreun stopt. Het wordt stil in de tent. Getsjirp van krekels. Gegil bij het zwembad in de verte.

Dan ritst de voordeur van de tent open. Een man in zwemshort komt naar buiten. Het is verdomme die Hollander van drie tenten verderop! Muriëlle, in bikini, glipt ook de tent uit en geeft hem een speelse tik op zijn billen en dan een lange kus. Zo lang heeft ze Jan nog nooit gekust.

We zijn onvoorzichtig, zegt de man.

Kan mij niet schelen, antwoordt Muriëlle. Ze kijkt hem smachtend na als hij naar zijn tent stapt.

Muriëlle zet haar zonnebril op en gaat liggen zonnen. Jan blijft verstopt achter de struik. Er gaat van alles door zijn hoofd. Waarom doet Muriëlle wat ze doet? Hoe lang is dit al aan de gang? Hoe lost een echte man dit op? Een echte man stapt nu vanachter de struik vandaan en confronteert haar keihard met haar gedrag. Een echte man laat verdomme niet zomaar met zich sollen.

Jan sluipt stilletjes op handen en voeten bij de struik vandaan en hinkt dan naar de receptie. Daar legt hij aan Florian uit dat er een petit cheval op zijn pied heeft gestapt en dat het mal doet. Florian geeft hem een cold pack. Jan zegt merci en gaat op een bankje bij de receptie zitten, doet zijn schoen uit en legt de cold pack op zijn gezwollen voet ondertussen vloekend op de pony, de Hollander en Muriëlle.

Na een hele tijd, de cold pack is nu lauw, komen de kinderen aangelopen. De ponyrit was nog leuk, Lies heeft Spartacus geleid en hij was braaf.

Waar is Lies nu?

Naar haar tent, er kwam een vriendin op bezoek.

Gaan jullie ook maar naar de tent bij mama. Ik kom straks als mijn voet beter is.

De kinderen rennen weg. Hij wringt de pijnlijke voet weer in de schoen. Hij moet Lies zien. Er met haar over praten. Het is onvoorstelbaar wat Muriëlle hem aandoet. Lies zal het kunnen duiden en hem vertellen hoe hij hierop moet reageren.

Donkere onweerswolken pakken samen boven de camping. Het begint te waaien. De wind die een onweersstorm voorafgaat.

Lies ligt in de hangmat voor haar tent. Hij ziet haar poezelige voetjes. En dan lijkt het alsof Jan in een groot zwart gat stapt. Lies haar benen zijn verstrengeld met nog een paar benen. En die tweede persoon heeft felrood gelakte teennagels. Hij valt in een kuil met puntige staken, hij wordt bloedig gespietst. Jan ziet haar rosse haarbos en daarnaast heel lang zwart haar. Zijn lijf wordt doorboord, de pijn dringt door tot in iedere vezel, tot in zijn hart en hersenen.

Het waait harder, Jan keert terug naar zijn tent, hij heeft het koud. De eerste regen valt, dikke, zware druppels. Het onweer verduistert de camping. Even later, bij de tent, valt de regen met bakken uit de lucht.

Hij hinkt de tent binnen, zegt niks, kijkt de anderen niet aan, kruipt in zijn slaapzak, verdoofd, murw, rolt zich op en huilt. Hij wil haar niet kwijt. Het was zo mooi, waarom maakt zij het stuk? In zijn hoofd tolt een zwarte brij in een draaikolk die tegen zijn schedeldak beukt. Het doet verschrikkelijk veel pijn. Na een tijdje valt hij in slaap.

De volgende ochtend blijkt de camping een ravage te zijn. Een overstroming heeft enkele tenten en caravans meegesleurd. Voor de rij waar zijn tent staat is een greppel gegraven om het water te kanaliseren. Muriëlle en de kinderen zijn nergens te bespeuren.

Een masochistische nieuwsgierigheid trekt hem naar de kampeerplaats van Lies. Klopt het wel wat hij gisteren heeft gezien? Is Lies daar echt met een andere vrouw? Houdt zij van haar?

Tent en auto zijn weg. Hij wordt opnieuw de kuil ingetrokken, verzuipt in een bloederige drek. Net op dat moment komt Florian aangereden op een mountainbike.

Ah monsieur Jean, I was looking for you. The lady Lies gave this for you.
Hij overhandigt hem een envelop.

Jan scheurt de envelop open. Op een briefje staat dat het te snel ging voor haar, dat het haar overviel, is opgedrongen en dat hij moet begrijpen dat zij voor haar lief en haar gezin kiest. Het ging een tijdje slecht, maar zij wil haar best doen, redden wat er te redden valt. En hij moet zijn best doen voor Muriëlle en de kinderen.

Jan staart naar de lege kampeerplek. Zijn maag trekt samen en hij krijgt geen lucht meer, hij duizelt, wordt ijl in zijn hoofd.
De bemanningsleden van de Challenger zijn niet uit elkaar gespat in de ruimte. Zij overleefden de ontploffing in hun geïsoleerde ruimtecapsule, maar stikten tijdens de val naar de aarde of stierven toen de capsule tegen het wateroppervlak te pletter sloeg.

Zonder ook maar één woord tegen elkaar te zeggen, nu ja, het strikt noodzakelijke misschien wel, pakken Jan en Muriëlle de tent en de bagage in en rijden naar huis.

Terug thuis gaat het leven verder. De zomeravonden worden korter, de kinderen gaan terug naar school, Jan keert terug naar de algoritmen van het geschiedkundig onderzoek.

Jan ziet Lies nog geregeld, jarenlang. Een bos rood haar in het straatbeeld, haar gestalte in de menigte. Zijn adem stokt. Telkens hij haar auto ziet, een grijze Volkswagen Golf, volgt hij die met zijn ogen. Er rijden vermoeiend veel grijze Volkswagens rond.

Elk plekje van haar lichaam, elk stukje huid, elke welving staat op zijn netvlies gegrift. Hij ziet haar met zijn ogen dicht. Hij is een cliché. Hij voelt haar zachte, warme huid onder zijn vingers. Het gevoel vervaagt. Ook dat cliché is waar.

Of Muriëlle nog contact heeft met haar Hollander, weet hij niet. Het interesseert hem ook niet. Het is voorbij. Ze doen hun best, maar er is geen perspectief meer. De rugzak is te zwaar, ze raken de berg niet meer op.

De volgende zomer wordt er niet gekampeerd. Ze nemen een hotel aan een meer in Noord-Italië. Het jaar nadien gaan ze opnieuw naar dat hotel. En na die reis zegt Jan dat hij er genoeg van heeft. Van het reizen denkt Muriëlle, maar hij bedoelt van het leven zoals het is. Hij gaat alleen wonen met zijn gedachten aan Lies. Ze doen week-om-week, dat is best voor de kinderen.

Einde