Le Bohémien 
- 5 – Wat onder de douche gebeurt …

IMG_5383Jan voetbalt tot hij erbij neervalt. Hij scoort niet, maar hij speelt mee met de kinderen en de andere ouders. Jan zwemt een estafettewedstrijd in het ijskoude zwembad. Hij gooit al zijn zwemtalent, kracht en uithoudingsvermogen in de strijd, maar eindigt helaas voorlaatste omdat ‘die Hollanders’ sneller zijn. Jan leidt Les Boules Rouges naar een eerloze laatste plaats in het petanquetoernooi. Jan stapt mee op in de fakkeltocht en verdwaalt, als enige, met Lies en de kinderen. Ze wandelen twee uur langer dan voorzien en zoeken hun weg terug naar de camping in het donker, want de fakkels zijn al lang gedoofd. Jan staat doodsangsten uit wanneer hij veertien meter boven de grond in een boom bengelt bij de initiatie boomklimmen. Jan doet alles voor de kinderen. Alles om bij Lies te zijn.

Op de avond van de vierde dag, komt het eerste verwijt van Muriëlle. Ze zijn net klaar met avondeten en Jan kondigt aan dat hij straks naar het kampvuur gaat met de kinderen. Muriëlle kan maar beter bij de tent blijven en rustig een boek lezen. Haar mond vertrekt tot een verbeten, platte streep. Jan weet dat dit geen goed teken is. Zij sist dat hij een dikke, vette egoïst is, dat hij blijkbaar liever onnozel gaat doen met de kinderen dan bij haar te zijn, dat ze hem niet meer herkent, dat ‘samen’ niet meer bestaat voor hem.
Hij trekt zijn schouders op, zegt dat zij haar eigen menig mag hebben, maar dat hij het voor de kinderen doet en dat hij nu gaat douchen.

Zoals elke avond flipflopt Jan over het stoffige grindpad naar de douches, zijn hoofd vol twijfels. Wil Lies dit wel? Zou het kunnen dat die eerste keer een spelletje was voor haar? Een toevalstreffer voor hem. Hij is er vrijwel zeker van dat zij hem al lang beu is. Hij denkt dat ze hem toelaat omdat hij zich gewoon heel erg aan haar opdringt.

Een paar vervelende muggen zoemen rond zijn hoofd. Hij slaat ze weg met zijn handdoek. Alsof hij zijn gedachten kracht wil bijzetten met elke mep. Het is ergens niet eerlijk van hem, het mag niet, het kan niet en toch doet hij het, blijft hij teruggaan.

Nog een slag loos in de lucht. De mug gemist. Hij vindt dat het klikt tussen hen, en niet alleen onder de douche. Ook wanneer ze praten zijn ze dicht bij elkaar. Zij vult zijn zinnen aan, hij zegt wat zij denkt. Zij zijn het eens, zij zijn een. Zo dicht bij iemand heeft hij zich nog nooit gevoeld. Helemaal in lijn met haar.

Hij blijft staan, nog meer muggen rond zijn hoofd, en bedenkt dat het misschien wel net omgekeerd is. Dat zij zich aan hem opdringt. Hij draagt geen verantwoordelijkheid, het overkomt hem allemaal, hij wordt erin meegesleurd. Het komt allemaal door de manier waarop ze met hem omgaat, hem toelacht met een pretglimlachje, hem stiekem briefjes in zijn handen stopt waarop staat ‘Wil bij je zijn.’ ‘Ga met mij mee.’

Dat mag zij toch niet doen? Hij slaat, maar de muggen komen terug. Ze willen zijn bloed. Zoveel aandacht en intimiteit verdient hij niet. Zoekt hij niet. Hij is in principe gelukkig met wat Muriëlle hem geeft en niet geeft.

Hij stapt verder. De muggen steken en de gedachten bezorgen hem hoofdpijn, ze kloppen tegen de binnenkant van zijn schedeldak. Ze verdwijnen gelukkig naarmate hij het douchehuis nadert en het bloed naar andere delen van zijn lichaam stroomt.

Drie van de vijf douches zijn bezet. Is zij er al? Waar dan? Ze hebben geen geheim teken afgesproken. Ze hebben eigenlijk helemaal niks afgesproken, ze doen maar wat. In het geheim, in het geniep. En dat knaagt. Aan zijn zelfbeeld, zijn geweten. Zij schept verwachtingen en hoop.
Laat Jan nu net niet leven op verwachtingen en hoop. Hij vindt dat een mens zekerheid en standvastigheid nodig heeft in het leven. Wat doet hij hier eigenlijk? Hij heeft de dingen goed voor elkaar, het leven kabbelt rustig verder, maar als hij betrapt wordt met Lies, dan is het hek van de dam, dan zal Muriëlle hem ontmannen, onthoofden, vierendelen en verlaten.

Hij slaakt een zucht. Dan gaat de deur van een douchecabine op een kier open en fluistert Lies ‘pssst Jan, kom’. Ze lacht hem schalks toe. Kom erbij. Hij weet niet hoe snel hij in de douche kan zijn en ze gaan hun gang zoals elke avond.

Terwijl het water over hun hoofden gutst en ergens in een andere douchecabine iemand vals en luid ‘O Sole Mio zingt, fluistert Jan in haar oor dat hij haar graag ziet.

Zeg dat niet, zot, zegt Lies, dat betekent niks.

Ja, ik ben zot, ik ben fou de toi, I am a fou for you.

Zo’n dingen zeggen levert niks op, het zijn clichés, zegt ze, ernstig.

Jij noemt het clichés omdat je niet genoeg liefde krijgt. Daarom moet je bij mij blijven, om te krijgen wat je verdient, zwijmelt hij.

Wat verder in de douchecabine gebeurt, blijft in de douchecabine. Maar er zijn enkele dingen die Jan zich de rest van zijn leven levendig zal herinneren. Beelden op zijn netvlies gebrand, gevoelens in zijn ziel gekerfd. Hoe zij haar benen rond zijn middel klemt en met haar voeten alles op slot zet. Hoe de bleke driehoek van haar onderbuik tegen zijn gezicht duwt. Hoe de pezen onderaan haar voeten zich strak opspannen. Hoe haar zachte huid overal tegen hem aanwrijft.

Na de douche wandelen Lies en Jan terug naar de tenten. Ze nemen het pad dat helemaal rond de camping loopt, waar maar weinig mensen komen. In hun bubbel lopen ze even hand in hand, omarmd zelfs. Ze kunnen gezien worden. Muriëlle kan hier opduiken. Verliefdheid maakt dapper en dom. Plots laat Lies zijn hand los.

Kijk daar, een hert, wijst ze.

Waar dan?

Daar bij de bosrand.

Hé ja, het zijn twee reeën.

De twee dieren staan een eind bij hen vandaan. Het ene dier graast terwijl het andere nauwlettend de omgeving in het oog houdt. Ze wisselen af in rondspieden en grazen. Twee elegante, kwetsbare verschijningen. Altijd op hun qui-vive. Nooit en nergens rust.

Zowat het mooiste wat ik al gezien heb deze zomer, zegt Lies

Weet je wat het mooiste is dat ik al gezien heb deze zomer?, vraagt Jan.

Ik zeker?, lacht Lies.

Haha, neen, maar wel hoe jouw tenen krullen als je komt.

Jij bent gek, zegt ze, en ze kust hem speels op de mond.

Niet hier, weert hij geschrokken af.

En net op dat moment weerklinkt een bekend stemmetje.

Papa!

Max en Juliette komen aanlopen over het pad.

Hier ben je papa, mama zei dat we je moesten zoeken, het kampvuur gaat beginnen!

Jan schiet in een kramp, doet heel gemaakt enthousiast naar de kinderen toe met een geforceerd Hollands accent.

Oké jongens, gaat ie, loopeu maarrr.

De kinderen draaien zich om en rennen weg. Jan geeft Lies nog snel een aai in haar hals daar waar een moedervlek een bolletje vormt. Dan rent hij achter de kinderen aan. Zagen ze de kus?

We hebben papa gevonden!, krijst Max als ze bij de tent komen.

Hij was met Lies aan het wandelen, vult Juliette aan.

Met Lies?, vraagt Muriëlle, wie is Lies?

De mama van Caz en Lou, zegt Max.

Ze is papa zijn vriendin, zegt Juliette, ze doen alles samen.

Muriëlle kijkt hem vernietigend aan, zelfs in de avondschemering krijgt hij schrik van haar blik. Dan draait ze zich om en gaat de tent binnen. Van haar rug leest hij een boosheid af die met geen vuur te bestrijden valt. Dat wordt weer twee of drie dagen stilzwijgen, weet hij.

Kom kinderen, we gaan naar het kampvuur.

Wordt vervolgd …

Le Bohémien 
- 4 – Niks over de oorlog zeggen

handschoenEen klein misverstand greep plaats. En dat zorgde ervoor dat Jan meteen een grote hekel had aan de camping.

Muriëlle koos de camping. Maar, eerlijk is eerlijk, hij mocht mee kiezen. Zij toonde hem op internet campings waar de tenten en caravans in de schelle zon stonden op een perk waar amper twee tuinkabouters op pasten. Er was – o horror – entertainment voor groot en klein, met kinderdisco en bal populaire. En er waren maar liefst drie zwembaden met glijbaan, de één al spectaculairder dan de andere. Ideaal voor de kids, pleitte Muriëlle, afglijden naar de hel vond Jan.

Ze konden ook kamperen bij de boer. Heel rustig. Vier tenten op een erf. Als enig entertainment elke dag een beetje meewerken op de boerderij. In ruil voor het werk op de boerderij mocht je aanschuiven aan tafel bij het boerengezin, om de zelfgemaakte rillette te proeven. Back to basics, rudimentair comfort, geen elektriciteit. Een werkkamp met walgelijk voedsel vond Jan.

En toen klikte Muriëlle naar de website van Camping Le Bohémien. Gelegen vlakbij een pittoreske baai, grote schaduwrijke plaatsen voor tenten, een gewoon zwembad, jeu-de-boulesbaan, ontspanningsruimte met schaakbord, minigolf, proper sanitair en een eenvoudige speeltuin voor de kinderen die trouwens ook in het bos konden spelen of bootje varen op de vijver. Het campingwinkeltje verkocht buitenlandse kranten. Daar kon Jan mee leven.

Je mocht zelfs op voorhand kiezen waar je je tent wilde neerpoten. Zij kozen een schaduwplek dichtbij het sanitaire blok en de vijver.

Bij aankomst bleek er echter een misverstand te zijn opgetreden.

‘Geen overboeking,’ verzekerde de campingbediende, een knaap van een jaar of achttien met meloenoranje shorts en fuchsia poloshirt van Lacoste. Onder het logo van de krokodil droeg hij een naamplaatje met ‘Florian’ erop. Belachelijke naam, vond Jan, wie heet er nu Florian. Beslist verarmde adel of zo, gedegenereerd tot in het zevende knoopsgat.

‘Er is zeker nog plaats voor uw gezin op camping Le Bohémien, maar helaas, helaas en het spijt ons zeer erg maar een ander gezin kreeg per toeval uw plaats toegewezen. Fout van de computer,’ ratelde Florian, ‘Er is nog plaats, iets verder van het sanitair, het zwembad en de vijver, maar heel mooi in de zon.’

Na bijna duizend kilometer in een snikhete auto met jengelende kinderen en ruzies met Muriëlle had Jan géén zin in een plek in de zon en nog meer hitte.

Wie zijn die mensen?, vroeg hij.

Pardon?, antwoordde Florian.

Wie zijn die mensen die op onze plaats staan?, vroeg Jan. Het was gewoon kwestie van hen te vragen – te zeggen – dat zij hun tent moesten verplaatsen.

‘Eh, toeristen, zoals uzelf’, antwoordde Florian droogjes.

Nu was Jan doorgaans erg timide, maar ook zeer principieel. Zij hadden gereserveerd en het systeem had niet gewerkt. Wat heb je aan een reservatiesysteem dat niet reserveert? Het falen van de technologie maakte hem kwaad. Hij stelde de vraag aan Florian, wond zich daarbij lichtjes op en doorspekte zijn zin met ‘merde’ en ‘putain’.

Het maakte weinig indruk op Florian. Die herhaalde dat hij très très désolé was over de reservatiefout, maar niks aan deze vervelende situatie kon veranderen, want het Duitse gezin was vroeger gearriveerd en monsieur begreep toch dat hij niet mocht verwachten dat die Duitse familie zou verhuizen?
‘Baai dzie weej’, zei Florian die om één of andere onduidelijke reden plots op Franglais overschakelde, dzie spot aai gieve joe ies very tranquille, becoes a bit moor far from dzie zwiemming poel’.

Muriëlle stond enigszins perplex door de furie waarin haar man ontstak. Jan spuugde een verbolgen ‘Duitsers!?!?’ in Florians gezicht. ‘Die denken #@&**domme nog altijd dat ze zomaar alles mogen innemen.’ En dan volgde een donderpreek, getier, gescheld en gevloek in het Frans, Engels én Duits, waarbij alle mensen van alles werden, behalve Brüder.

Toen Jan was uitgeraasd, vroeg Florian heel koeltjes of het gezin oui ou non op de camping wenste te blijven en de plek zou occuperen en of monsieur s.v.p. wou kalmeren anders zag Florian zich genoodzaakt de Gendarmerie op te roepen. Jan brulde dat hij kalm was, stormde naar buiten en ging zitten mokken in de snikhete auto. Max, Juliette en Linde verkenden de camping terwijl Muriëlle zich verontschuldigde voor het gedrag van haar man en de registratie in orde bracht.

‘We hebben plek D27,’ zei ze droogjes toen ze in de auto stapte. Ze voegde eraan toe dat zijn uitbarsting nergens voor nodig was geweest. Waarop hij nog eens in woede ontstak en zij het moest ontgelden.

Zijn kwaadheid verdween niet tijdens het opzetten van de tent. En zijn ergernis werd alleen maar groter toen bleek dat campinguitbaters op hun website enkel foto’s plaatsen die de camping op z’n best laten zien. Wat ze niet tonen: het overvolle zwembad met water op vriestemperatuur, de spoorweg op vijfhonderd meter afstand waarover overdag om de twintig minuten een intercity langsraast en ’s nachts oneindig lange goederentreinen voorbijdenderen, de jeu-de-boulesbaan die een stoffige zandbak is, de toiletten met stinkende remsporen, de door algen overwoekerde vijver, de douches die alleen kokend heet of ijskoud water spuiten, de schaduwplekjes in de volle zon, het strand vlakbij dat op 5 kilometer afstand ligt, de hordes insecten en vooral: het lawaai. Gelukkig deed Lies hem dit allemaal vergeten.

Wordt vervolgd …

Le Bohémien 
- 3 – Het is een dodelijke val

IMG_6373De bobbel op zijn arm is nu groter en roder en doet meer pijn dan daarnet. Onderhuids prikken naalden in zijn huid, van binnen naar buiten. De bobbel gloeit ook. Hij kan niet anders dan eraan krabben. Hij zet de afwas op het pad en krabt. Het liefst scheurt hij het ding helemaal open, maar dat lukt niet met zijn afgekloven nagels.

Niet krabben!

Hij schrikt. Hij heeft niet gemerkt dat zij naast hem is komen staan. Zo vlak naast hem. Echt heel dicht bij hem. Er zit hooguit een meter tussen hen in.

Niet krabben, dan ontsteekt het. Het gif moet eruit.

Ja dat kan, antwoordt hij, maar hoe haal je gif uit zo’n wonde?

Zij buigt zich naar zijn arm toe, plaatst haar lippen over de wonde en zuigt. Hard. Dan spuwt ze een paar keer op de grond.

Dit voelt wel heel erg ongemakkelijk. Zij dringt zomaar zijn intieme cirkel binnen. Zijn maag trekt samen. En hij voelt tegelijkertijd de drang om ook aan haar arm te zuigen. Zij heeft geen insectensteek, dat houdt dus geen steek. Verwarrend. Hij staat te trillen op zijn benen. Het spuwen vindt hij dierlijk, walgelijk, maar het wakkert diep vanbinnen een oergevoel aan.

Zo, zegt zij.

Ja, antwoordt hij, dank je.

Wat nog meer?, denkt hij. Wat kan er nog meer zijn dan dit? Hij staart naar het zand en de steentjes op de wegel. Naar de natte plek. Daar heeft zij gespuugd. Dichterbij ziet hij haar voeten. De tenen zijn perfect, vormen een mooie schuine lijn, netjes naast elkaar, niet krom, niet te dik, niet te dun. Mooie teennagels, niet gelakt. Een opluchting. Hij vindt gelakte teennagels opdringerig en raar. Geen grote voeten, goed, een kleine vrouw met kleine voeten. Vooraan een vrij breed voetbed, maar opvallend smalle hielen. Heel schattig.

Hebben jullie een goede plek?, vraagt zij.

Staart hij nu werkelijk naar haar voeten? En heeft hij zin om die te strelen of te kussen? Hij gelooft zijn eigen gedachten niet. Voelt hij begeerte? Hij? Dat is quasi onmogelijk.

Plek?, hoort hij zichzelf vragen. Voor Muriëlle heeft hij liefde gevoeld en dat was genoeg. Lust of begeerte kwamen er niet bij kijken. Liefde voor elkaar en hun kinderen, dat klopte, biologisch, bijna wiskundig.

Ja, kampeerplaats.

Daar. Hij wijst in de richting van een zonovergoten weide waar hun tent staat, maar hij kijkt nog steeds naar haar voeten. Die teentjes, zo lief, zo koddig.

In de Potager, zegt hij terwijl hij de aandrang voelt om haar enkels te liefkozen.

Oei, knal in de zon.

Ja, warm. Heet zelfs. Haar enkels, haar voeten! Haar kuiten strelen en wie weet wat nog meer. Hij wil hier zo snel mogelijk weg, bij haar vandaan.

Niet te doen toch met die warmte. Vroegen jullie geen plaats in de schaduw?

Toch wel, maar er was een misverstand.

Jan kijkt op van de grond en van haar voeten en merkt dat zij hem aankijkt, dat zij hem recht aankijkt. Daar voelt hij zich heel erg ongemakkelijk bij, want er is iets met haar, aan haar. Een twinkeling in haar ogen die er de vorige keer niet was. Geeft het licht haar huid een gulden tint?

Heeft zij gemerkt dat hij naar haar voeten staarde? Denkt ze dat hij naar de grond kijkt omdat hij beschaamd is? Of neemt ze er aanstoot aan? Voeten zijn intiem en ze kan hem als opdringerig en onwelvoeglijk beschouwen.

Wanneer ze vraagt hij hij heet, stelt hij opgelucht vast dat ze geen acht sloeg op zijn staren. Hij vraagt hoe zij heet. Zij heet Lies. Eigenlijk Lisa-Marie, maar iedereen zegt Lies.
 Een heel gewone naam en hij klinkt Jan niet al muziek in de oren. Haar enkeltjes, haar puntige enkeltjes, extra geaccentueerd door de strak gespannen achillespees, die zijn muziek voor zijn ogen.

Dat is een flinke wespensteek, heb je er een zalf voor?

Dat zal ik eens aan mijn vrouw vragen.

Ach, je vrouw, hoe heet zij?

Hij vertelt dat Muriëlle Muriëlle heet en ook dat hij drie kinderen heeft. En zij vertelt dat ze twee kinderen heeft, Caz en Lou, acht en elf, net als zijn Max en Juliette.
Zij snuffelen verder verbaal aan elkaar, twee honden die elkaar ontmoeten, elkaars geur opsnuiven om hoogte te krijgen van elkaar. Voor Jan is dit vreemd, hij is hier geen held in. Ook al gaat zo’n gesprek zogezegd over niks, je weet nooit wat je wel en niet mag zeggen, het kan later altijd tegen je gebruikt worden.
Met Muriëlle praat hij nooit zomaar. Zij wisselen feiten en informatie uit. Enkel noodzakelijke informatie. Maar hier bij Lies komen de woorden vanzelf, door haar gepraat, spreekt hij ook. Zij vertelt over haar sporten, kajak, rotsklimmen en mountainbiken. Hij speelt schaak. Zij komt geregeld tot rust op yogaretraite, wordt één met zichzelf en het universum. Hij leest. Boeken en de krant.

Haar enthousiasme, haar leuke accent, hoe ze met veel zwier en schwung vertelt, het maakt iets los bij hem. Een energie, die gaat stromen, alsof hij zelf aan het sporten is.
Hij vertelt dat hij als kind ook eens in een kajak heeft gezeten. Hij vertelt er niet bij dat hij toen afdreef naar de andere kant van het meertje en in huilen uitbarstte en pas kalmeerde nadat iemand hem had teruggesleep naar de oever waar zijn mama op hem wachtte om hem te troosten. En zijn vriendjes om hem uit te lachen.
Zij heeft al veel sportieve avonturen meegemaakt. Jan maakt alleen avonturen mee in boeken. Jan leeft, maar beleeft niet. Daarvoor moet je je huis uit en dat doet Jan niet.

Ik ga douchen, zegt Lies. Ik neem elke dag een douche om half acht. Noem mij gerust neurotisch, lacht zij met een twinkeling in haar staalgrijze ogen, die prachtig gevormd zijn, met lichtjes hangende oogleden, iets wat je als storend of minder mooi kan beschouwen, maar Jan heel erg charmeert. Het maakt haar ogen pittig en schattig. Zo is zij ook in zijn ogen: pittig en schattig.

Neurotisch, lacht Jan, neenee, dat is niet neurotisch, ik douche ook elke dag om half acht en ik ben ook niet neurotisch.

Goed, ik zie je nog, zegt ze terwijl ze wegwandelt en ze voegt er quasi terloops aan toe: morgen is er een voetbalmatch en we zoeken nog wat papa’s om mee te sjotten. Doe je mee?

Ja, ja, natuurlijk, stamelt hij, voetbal, fantastisch!

Voetbal, denkt hij terwijl hij naar zijn tent stapt, voetbal … ik kan niet voetballen. Er komen beelden bij hem op van voetbalmatchen op school waar hij altijd als laatste werd gekozen bij de teamvorming en dan ergens achteraan mocht staan waar hij weinig schade kon berokkenen, waar hij zelfs doelpunten voorkwam, door over de bal of een andere speler te struikelen.

Op het onmogelijke kampeerfornuisje warmt Muriëlle ravioli uit blik op. Zij is in de weer als een echte kokkin, terwijl dit niks inhoudt, blik opendoen, inhoud opwarmen, klaar. Zij draagt een badpak en haar schriele lichaam valt hem weer op. Hij vindt dat zij zichzelf uitmergelt, geobsedeerd is door vermageren nadat zij hun drie kinderen op de wereld zette. Hij begrijpt het niet en vindt het niet mooi, maar laat haar in haar waardigheid en zegt er niks over.
Maar neem nu die Lies, zij heeft ook twee kinderen én een afgetraind, vol lichaam, gezond en gespierd. Heel wat anders dan Muriëlle die zich laat gaan.

Zeg, antwoord je nog?, vraagt Muriëlle iets luider dan nodig waarmee ze Jan uit zijn mijmering haalt.

Hij zegt: Voetbal, morgen is er voetbal en ik ga meedoen met de kids.

Muriëlle kijkt hem verbaasd aan. Voetbal? Jij haat voetbal.

Zo doen de kinderen iets actiefs hier op de camping. En ik ook, voegt hij er aan toe.

Ja, maar voetbal, Jan?, haar verbazing klinkt als een verwijt.

Denk je nu werkelijk dat ik niks kan?, snauwt hij. Ik wil actief zijn met de kinderen, blijf jij maar weer bij de tent.

Muriëlle roert verder in de ravioli. Even later zegt ze zakelijk: Het eten is klaar.

Wat je eten noemt, mompelt Jan binnensmonds.

De kinderen smullen, Jan eet en Muriëlle heeft al genoeg na een paar happen. Ze praten enkel met de kinderen, niet met elkaar. Ze eten de hele pan ravioli leeg.

Na het eten haalt Jan een handdoek en douchegel uit de tent.

Ik ga douchen, zegt hij.

Wordt vervolgd …

Le Bohémien – 2 – Rondzweven in een stuk blik, en niks kunnen doen

IMG_3625Jan reist graag, maar kamperen? Toen hij nog met zijn ouders reisde, wees zijn moeder kampeerders aan met een minachtend knikje: ‘Daar, campingvolk’. Ze liet niet na daarbij te zeggen dat je ‘die soort’ herkende aan hun identieke trainingspakken in glanzende stof, dat zij in een tent sliepen waar ongedierte vrij baan had of in een caravan huisden met een schotelantenne erop en plastic tuinmeubels ervoor en ‘dat het toch altijd iets was met dat volk’ toen in de krant stond dat een camping werd geëvacueerd omdat hij bij hevig regenweer geïnundeerd was geraakt of in brand was gevlogen door een ontploffende tankwagen. Altijd iets, en dat had je niet op hotel. Toch niet als je, zoals zij, de beste hotels wist te kiezen.

Dus deed Jan cultuurreizen met zijn ouders, vrienden of zijn lief en sliep hij tussen schone lakens in een nette slaapkamer met een propere badkamer. Zo had hij onder meer Rome, Parijs, Kopenhagen en Firenze bereisd. Steeds op hotel. En liefst een hotel waar het personeel attent en vriendelijk was. Waar je dan ook voor betaalde, maar goed, het maakte het reizen niet alleen aangenaam, maar vooral ook draaglijk. Bovendien wist het hotel waar je een dokter of een ziekenhuis kon vinden. Dat gaf een gevoel van veiligheid dat hij wel op prijs wist te stellen.

Veelal boekten zijn ouders een kamer met uitzicht. Jan werd dan wakker, trok de gordijnen open en zag de ochtendzon op de Santa Croce schijnen. Of hij keek elke avond vanuit zijn hotelbed naar de kleurrijk verlichte Eiffeltoren.

Kamperen was Muriëlles idee. Zij ging als kind al kamperen met haar ouders en vier broers. Wanneer zij vertelde over hoe zij op haar veertiende in een tentje sliep met om zich heen de stilte van een Alpennacht, kwam er een dromerige uitdrukking op haar gezicht. En die veranderde in een enigszins geile blik in haar ogen als ze het over de kampeertocht had met Jurgen de speleoloog die met haar de diepe ondergrond van de Hardangervidda was binnengedrongen.

Was het die ene blik die Jan verrassend snel overhaalde om te gaan kamperen? Hij zag in elk geval niet in hoe hij drie weken met drie kinderen en een leger ongedierte zou overleven met enkel een zeildoek tussen hemzelf en de brute buitenwereld. Maar er zou een wereld voor hem opengaan beweerde Muriëlle.

En ze had gelijk. De automatische deuren van de kampeerwinkel schoven open, Jan aanschouwde eindeloze rekken vol kampeermateriaal en voelde zich meteen zo opgewonden als een kind in een speelgoedwinkel.

Zakmessen met 88 functies, pepperspray om beren af te weren, een survivalmes om wild te villen én vuur te maken in het midden van het niets, zelfs bij regenweer. Een kompas met ingewerkte nagelvijl en tandenstoker. Dit was dus de plek waar échte mannen, die met de houthakkershemden, hun gerief haalden!

Terwijl hij de inhoud van een EHBO-kit voor trekking en survival bestudeerde, maakte Muriëlle hem er attent op dat ze de bewoonde wereld niet zouden verlaten. Koken zouden ze doen op een kampeerfornuis met een kleine blauwe bidon butagas, slapen op luchtmatrassen met kampeerbeddengoed en er zou altijd wel een dorp met een apotheek in de buurt zijn daar in het zuiden van Frankrijk. Wat ze vooral nodig hadden, was een degelijke tent voor vijf personen.

Tot zijn grote ergernis duurde het twee uur om die tent te kiezen. Ze vroegen raad aan een verkoper, een ‘outdoor advisor’, die hen minstens zes tenten liet zien en zich geroepen voelde om er in detail uitleg over te geven.

Dit is een tent voor vijf personen.

Vijf?, vroeg Jan verbaasd. Dan zouden ze op elkaar moeten liggen, of allemaal op hun ene kant, als potloden op een rij.

Ja, een slaapruimte voor twee en een slaapruimte voor drie.

Ik zie hier nog geen vijf mensen in liggen.

Er is plaats voor vijf slaapmatjes, wij bij Outdoor rekenen altijd in slaapmatten, eigenlijk.

Wij rekenen in luchtmatrassen, eigenlijk.

O, dan zal het maar met vier lukken vrees ik.

Vrees ik ook, en ik vrees dat we drie kinderen hebben.

Dan zoeken we eigenlijk beter naar een andere outdooroplossing voor u.

Dat vreesde ik al, zei Jan en hij liet zich meevoeren naar tent nummer zeven.

Muriëlle vond dat hij bijzonder negatief was en dus nam hij zich voor om verder gewoon aandachtig te luisteren naar het gepalaver van de outdoor advisor over slaapcomfort, waterkolommen en scheurweerstand.

Het lukte hem niet. Hij zag zichzelf niet in een tent, in een slaapzak op een isolerend matje. Hij zag zichzelf niet in de buitenwereld. Hij zag zichzelf in een wereld van zacht beddengoed op de dikke matras van een antiek eikenhouten bed in een luxueuze hotelkamer. Hij zag zichzelf in een wereld van rust. Een wereld zonder kinderen, zonder Muriëlle. Een wereld waarin hij alleen verantwoordelijk was voor zichzelf, waar hij van niemand last had.

Hij staarde naar lichtgewicht potten en pannen en hoorde dat ze gemaakt waren uit hetzelfde materiaal als het hitteschild van de space shuttle. En hij knikte. En hij kreeg het beeld voor ogen van de space shuttle die de blauwe lucht in klimt, hoger en hoger, met achter zich twee witte strepen. De camera zoomt in. De space shuttle raast de oneindige ruimte tegemoet.

Jan zit in de cockpit van de space shuttle. Ingepakt in een astronautenpak, onbeweeglijk klemgezet in een kuipstoel, maar desondanks onverbiddelijk door elkaar geschud door het trillen van het ruimtetuig, achterovergedrukt door G-krachten, voortgestuwd op een bom vol brandstof. En hij vraagt zich voortdurend af wanneer die bom zal afgaan.

Echte astronauten vragen zich niet af wanneer de raket uit elkaar zal spatten. Echte astronauten denken aan de protocols die ze moeten volgen om het ding de ruimte in te krijgen en aan de taken die zij straks in de ruimte moeten uitvoeren, zij kijken uit naar het eindeloze zwart, bezaaid met sterren en planeten, zij staan niet stil bij mankementen in het systeem en ontploffende brandstoftanks. Zij behouden het vertrouwen in de techniek, zelfs in de seconden voor de knal, als de wijzers in het rood gaan, talloze verklikkerlichtjes gaan branden en alarmerend gepiep de cockpit vult. Enkel astronaut Jan beseft de hele vlucht dat dit de laatste vlucht is, dat het ruimtetuig uit elkaar zal spatten als een ordinaire vuurwerkpijl.

Muriëlle vroeg of hij rood of blauw plastic servies verkoos.

Zwart, zei hij.

Er is geen zwart, zuchtte Muriëlle.

Blauw dan, antwoordde Jan

Ze nam rood, haar lievelingskleur.

Jan laadde een plooitafel en vier plooistoelen op hun caddy.

Je spat in een fractie van een seconde uit elkaar. Versplinterd, verkoold, verpulverd.

Ze kozen een loodgrijze zespersoonstent met voortent en luifel.

Jan voelt het uit elkaar spatten. Huid, bot, pezen, spieren, ingewanden en hersenen die in het astronautenpak alle kanten op vliegen. Wat net nog zijn lichaam was, is nu een brij die in het ijle verdwijnt.

Ze kochten lichtgewicht bestek, een opplooibare keuken, een gasvuur met bijhorende bidon butagas, een bommetje dat mee in de koffer ging, slaapzakken die je zelfs warm houden tijdens een poolnacht en eersteklas luchtmatrassen.

Zij gaven een astronomisch bedrag uit aan alles wat nodig was om veertien dagen huisje te spelen in openlucht. Ongeveer de helft van de spullen paste in de autokoffer. Jan liet zich door Muriëlle overhalen om een dakkoffer te kopen met een imperiaal om de dakbak bovenop de auto te zetten. Na een half uur geklungel met inbussleutels, op de parking van de buitenwinkel, for all to see, was het ding nog niet gemonteerd.

Muriëlle had dan al vijf keer gevraagd ‘Gaat het, schat?’. Bij de zesde keer trok Jan uit verregaande irritatie en pure frustratie een lange diepe kras in de autolak, gooide de inbussleutel een eind de parking op en tierde dat het godverdomme niet ging, nee!

En toen moest de reis nog beginnen.

Wordt vervolgd …

 

© David Van Bambost – 03/09/2018

Le Bohémien – 1 – Een barst, en het licht dat binnenstroomt

IMG_3517In het blauwe teiltje dat Jan in zijn ene hand draagt, past de afwas van één gezin. Borden, glazen en bestek, maar niet de braadpan. Die moet Jan in zijn andere hand dragen. Hij sloft over het stoffige pad van de tent naar het sanitaire blok. Slippers aan zijn voeten, zijn lange witte tenen steken onder de bandjes uit als voelsprieten. Als er iets aan zijn lijf is wat hij echt lelijk vindt, dan zijn het wel zijn lange, kromme tenen. Kleine steentjes en zand van het pad kruipen tussen het plastic van de slippers en zijn tenen.
Hij wordt gek van dat kriebelende, jeukende gevoel aan zijn voeten. Hij flippert het gruis weg, eerst de linkerslipper en dan de rechterslipper. Ondingen. Hij had zijn instappers moeten meebrengen. Maar daarvoor was geen plaats meer in de koffer. Wel voor Muriëlle haar watersandalen en haar bottines. Niet voor zijn comfortabele schoenen.

Er ritselt iets in het hoge, droge gras naast het pad. Hier zitten beesten, hij weet het. Dat is typisch voor het zuiden van Frankrijk. Hij heeft ze nogal gehoord deze week. Vermoedelijk slangen of hagedissen. Of anders muizen of ratten. In elk geval iets vies of giftigs. Dat kan niet anders op deze camping. Wat loopt hij hier eigenlijk te doen?

Er staan vier afwasbakken op een rij onder een golfplaten afdak. Twee ervan zijn bezet door luidruchtige Nederlandse kinderen. De clichés kloppen. Aan een andere spoelbak doet een roodharige vrouw de afwas. Hij schat haar rond de dertig, jonger dan Muriëlle, slankere heupen ook. Ze is niet erg groot en een Française te zien aan de pareo die ze draagt, of hoe zo’n wikkelding ook mag heten. Haar voeten zijn gebruind en ze draagt Birkenstocksandalen met een oranje riempje. Opvallend.

Jan knikt naar haar wanneer hij het teiltje neerzet in de afwasbak naast haar. Zij kijkt hem niet aan. Zij wast af. Hij doet afwasmiddel in het teiltje en draait de koude kraan open, dan de warme kraan.

Er komt geen druppel water uit de kraan, er klinkt een kort, droog geklop en vervolgens schiet de kraan met een knal de lucht in. Het water spuit in het rond. Jan krijgt de fontein vol in zijn gezicht. Hij is meteen drijfnat. De Hollandse kinderen gillen en lachen hem uit. ‘Klojo’ en ‘oen’. Jan staat perplex. Hij staart naar het blauwe teiltje en naar het gutsende water.

Jan is een man die niet reageert, nooit, tenzij het hem allemaal teveel wordt. Muriëlle noemt hem traag. Jan noemt zichzelf bedachtzaam. Hij weet wel dat hij dingen opkropt om dan te ontploffen. Maar meestal relativeert hij liever dan hij reageert. Zo blijft Jan gelukkig. Geen conflicten, geen gedoe. Een klein beetje oorlog is soms écht niet beter. Dat weet hij van zijn werk op het Nationaal Geschiedkundig Instituut.

Ondertussen is hij kletsnat, short en poloshirt zijn doorweekt en hij staat met zijn slippers in een kleine modderpoel. Hij vindt het een onaangename gewaarwording, maar kan alleen maar kijken hoe het water uit de buis gulpt.

Pas als het water stopt met lopen, ziet hij dat zij op haar knieën onder de wasbak zit. Hij ziet de welving van haar natte voetzolen, de slanke enkels die overgaan in smalle gespierde kuiten. ‘Vreemd, dat ik hiernaar kijk’, gaat er even door zijn hoofd. Dan kijkt hij naar haar en ziet dat zij naar hem kijkt en een lach niet kan onderdrukken.

‘Jij bent héél erg nat’, zegt zij, ‘je moest gewoon de hoofdkraan dichtdraaien.’

‘Je spreekt Nederlands,’ antwoordt Jan. Een vaststelling, wat kan hij anders zeggen?

‘Dacht dat je Frans was.’

‘Nee, van Gent. En jij?’

‘Brussel’, zegt Jan.

‘Bon, allez, nog veel plezier met de afwas, die van mij is gedaan. Ik ga mijn voeten wassen. Ik haat modder tussen mijn tenen. Uw schuld.’

‘Grappig accent, met die r ergens achteraan in de keel’, denkt Jan terwijl hij de afwas doet aan een andere afwasbak. De kapotte kraan laat hij voor wat ze is. Hij kan ook niet alles oplossen. Hij moet op het werk al hele dagen problemen oplossen over dat rottig historisch algoritme. Nu is hij met vakantie. Jan is graag met vakantie. Hij houdt van het zonder tijd zijn. Van tijd die geen tijd meer is, maar een vloeiend geheel wordt.

Terwijl hij met de afwas in het teiltje terugloopt naar de tent, verdwijnt hij in de zinderende hitte die over het kampeerterrein hangt. Even is er geen Jan meer. Veel meer dan dit niet-zijn mag hij niet verlangen.

Hij landt wanneer hij een venijnige prik voelt. Op zijn arm zit een insect dat hij nog nooit heeft gezien. Een soort megawesp. Nog nooit gezien. Bestaat niet. Mag niet bestaan. In een paniekerige reflex slaat hij het beest van zich af. Het steekt hem nog een keer, wat nog meer pijn doet. Er verschijnt meteen een pijnlijke rode bobbel op zijn arm. Muriëlle zal hier wel raad mee weten. Hij sloft verder over het stoffige pad. Op zijn hoede, op deze rottige camping zit beslist nog gevaarlijk ongedierte.

Wordt vervolgd …

(Als eerste het vervolg lezen? Schrijf je rechts (daar ->) in om mijn blog te volgen.)

 

© David Van Bambost – 21/08/2018

Vrijheid, blijheid

IMG_5217‘Aha, een hele week het rijk voor jullie alleen, geniet ervan.’ ‘Profiteer van de vrijheid.’ Het zijn maar enkele van de sluikse, opgewekte reacties die ik krijg wanneer ik zeg dat ‘die twee’ een week op zomerkamp zijn.

Sluiks, want bij de felicitaties voor een-week-zonder-kinderen hoort een glimlachje dat iets suggereert. En we weten allemaal heel goed wát er wordt gesuggereerd: een week tijd voor losbandigheid, bacchanalen, oeverloos gezuip, boulimisch geschrans en promiscue uitspattingen. Vrijheid, blijheid! Het dak gaat eraf!

Maar vrijheid schuilt natuurlijk niet in de afwezigheid van anderen. Soms zijn ‘de anderen’ inderdaad de hel*, maar niet die twee. Die twee zijn op de wereld gezet om hier te zijn, niet om weg te zijn. Dat is geen vrijheid, dat is leegte (en oké, een zekere rust), dat is afstand, dat is gemis.
Vrijheid zit dus niet in hun afwezigheid. Waarin zit vrijheid dan wel? In een leeg agenda en een lege mailbox. Dagen zonder op tijd moeten zijn en zonder moeten tout court. Vrijheid zit ook in rondlummelen om het rondlummelen. Mogen zijn wie je bent. Dingen mogen doen en zeggen zonder direct oordeel, commentaar, jaloezie of afgunst. Vrijheid is iets schrijven dat niet moet worden gelezen, het is lopen zonder doel, denken zonder uitkomst. Vrijheid is ronddobberen in een boot op een meer, zonder meer.

IMG_5460Ik mis hun slaapkop bij het ontbijt, hun vermeende vechtpartijen in de zetel. Ik mis haar dansjes in de keuken en zijn uiteenzettingen over een PlayStation-spel. Ik mis zelfs hun ‘goh papa, pfff’ als ik politie-agent speel. Ik mis hen, maar ik geef hen graag de vrijheid om andere landen en mensen te ontdekken, om van alles te beleven, te zien, te leren, te proeven … om een week onafhankelijk en vrij te zijn.

 

*Vrij naar Jean Paul Sartre