Game of Fools

Een spel voor spelers van 18 tot 67 jaar.

Aantal spelers: zoveel mogelijk.
Spelleiding: Het Systeem.

Voorbereiding
Vouw het spelbord open.
Elke speler krijgt een ‘personage’-pion toegewezen door twee andere spelers en Het Systeem.
Schud de Magkaarten en leg deze omgekeerd op een stapel in het midden van het spelbord.

Spelverloop 
De spelers bewegen hun pion over het spelbord dat 365 vakjes telt.
Elke speler zet de pion (m/v/x) op het Startvak.
Er wordt om de beurt gedobbeld.
Noot: de dobbelsteen heeft 6 zijden met 1 punt. Elke speler verplaatst de pion bij elke beurt 1 vak.

Rode vakken
De meeste van de 365 vakken zijn rood ingekleurd.
Komt de pion op een rood vak, dan moet de speler dingen doen. Werken of tegenwerken. Werk zoeken, hopen, wanhopen en de job van je leven (al dan niet) vinden. Consumeren en consuminderen. Zwemmen, verzuipen en blijven zwemmen. Eten, overeten, diëten en eten, eten, eten. Kinders kopen, kweken en miskweken. Inspannen en ontspannen en weer inspannen. Lopen, voorlopen, achterlopen en een sprintje zetten. Analoog of virtueel druk, druk, druk doen. Dwarsliggen of kromliggen. Wachten, afwachten en verwachten. Meedraaien en doordraaien. Zoeken naar de figuurlijke naald in de spreekwoordelijke hooiberg.
Door alles te doen wat moet gebeuren omdat het moet gebeuren, verzamelt de speler Bonuspunten (zie verder).

Wachtvak
Het ‘doen van dingen’ gebeurt in een eindeloze loop en onder constante druk. De speler loopt het risico hierdoor ziek of gek te worden. Spelers die moeten afhaken, plaatsen hun pion op het vak ‘Wachten’ aan de rand van het spelbord.
De overige spelers en Het Systeem zetten spelers-in-wacht onder druk om zo snel mogelijk weer mee te draaien in het spel.

Gele vakken
De gele vakken bevinden zich per twee tussen de rode vakken.
Komt de pion op een geel vak, dan neemt de speler een Magkaart van de stapel in het midden van het spelbord.
De speler leest de Magkaart voor aan de andere spelers. Dan voert de speler uit wat op de Magkaart staat, dit kan met of zonder andere spelers.
Voorbeelden van Magkaarten: ‘U mag twee gele vakken gebruiken om een muur met gyproc te bekleden. U mag eerst naar de brico.’, ‘U mag naar een trouwfeest. Neem drie genodigden mee. Dans, doe zot, maar drink met mate!’, ‘U mag het gras afrijden, trek daar drie uur voor uit.’, ‘U mag twintig wielertoeristen bij elkaar zoeken en 80 km fietsen. Daarna mag u een half geel vak rusten.’, ‘U mag de verjaardag van de bomma vieren. U mag hierbij taart en cava nuttigen tot u ontploft.’, ‘U mag de dierentuin bezoeken met twee jengelende koters en een nukkige partner. U mag de dieren niet voederen.’, ‘U mag een volledig geel vak besteden aan het uitkiezen van meubels in een meubelwarenhuis. Honderden andere spelers gaan met u mee. U mag op het eerstvolgende gele vak opnieuw naar het meubelwarenhuis om de door u gekozen meubels in te wisselen voor andere meubels die u toch leuker vindt.’
Op een geel vak mag alles en moet niks. Niet zoals in ‘moet-moeten’. De spelers kunnen dus geen Bonuspunten verzamelen op gele vakken.

Groene vakken
Groen is dun gezaaid en komt voor in blokken van vijf tot twintig vakken. Komt de pion op een groen vak, dan mag de speler de verzamelde Bonuspunten inruilen voor T.V. (Totale Vrijheid). De speler mag dan de wereld ontdekken, op zijn (m/v/x) luie krent zitten of staan schilderen, maakt niet uit. Vrijheid, blijheid. Elke speler mag echter maximum twintig keer na elkaar op een groen vak staan. Dit om te voorkomen dat de speler lui wordt. Het Systeem houdt niet van T.V.  Wie van T.V. heeft geproefd, wil meer T.V. Daarom moeten spelers na enkele groene vakken onmiddellijk weer op een rood vak gaan staan.
Bemerking: spelers die geen bonuspunten verzamelden door op de rode vakken dingen te doen, hebben niet het recht om op een groen vak te staan. Zij gaan direct door naar het volgende rode vak. Zij ploeteren verder tot zij voldoende Bonuspunten hebben. Zij gaan niet langs start, zij ontvangen niks, zij mogen klagen en zagen en gewoon verder doen.

Einde van het spel
Na elke doorloop van de 365 vakken, zetten de spelers hun pion opnieuw op Start. Ter gelegenheid van deze doorstart vieren de spelers een feestje en steken zij zelfs vuurwerk af. Het spel eindigt nadat elke speler minstens 40 keer alle 365 vakjes heeft doorlopen.

Wie wint Game of Fools?
Dit spel kent geen winnaars, enkel gekken.

Goeiemorgen 

In de inkomhal van het loftcomplex waar ik werk, hangt sinds kort een gigantische zwart-wit foto van de gekapseisde Herald of Free Enterprise.

Het is een mooie reportagefoto. Je ziet een deel van de zijkant van de Herald die boven het water uitsteekt. Er staan twee mannen op het schip. Een van hen gooit een touw naar iemand op een ander schip dat vlakbij ligt. Een meeuw zweeft voorbij.

Door het opblazen van de foto is het beeld vrij korrelig. Dat draagt bij tot de desolaatheid van de enorme metalen constructie in het grijze water van de Noordzee.

Het gooien van het touw doet in eerste instantie aan redding denken.  Maar dit is niet de reddingsoperatie. Dit is niet de scène waarin reddingwerkers verdwaasde, verkleumde, panische slachtoffers van boord halen en helikopters hun zoeklichten over het zwarte water laten glijden.

Dit is ook niet de tweede akte met de duikers die de opgezwollen lijken uit de buik van het schip halen.

Dit is het derde bedrijf waarin zilte werkmannen het wrak weghalen en de vaarroute vrijmaken. Geen menselijk drama maar koud en hard werk.

Ik wens de touwwerpende werkmensen elke ochtend een ‘Goeiemorgen’ en ga zelf vol goede moed aan de slag met in gedachten de mensen die vechten voor hun leven, beseffen dat ze onherroepelijk gevangen zitten in het schip en koud zullen verzuipen in het onwrikbare water.

 

Koffiefilosofie

Ik heb soms de vreemdste gedachten. Denk ik. Op de vreemdste momenten. Denk ik. In mijn vaste koffiehuis bijvoorbeeld, op woensdagochtend. Ik denk natuurlijk in de eerste plaats aan de 30°-was die ik straks zal draaien én ophangen omdat mijn vrouw mij dat heeft gevraagd. Als ik het niet vergeet. Ik denk ook aan het vijfde hoofdstuk van het boek dat ik al tien jaar schrijf, maar dat niemand leest. Over hoe angst een leven overneemt. Ik denk aan de vrouw van 43 die hard vocht, maar niet heeft gewonnen. En hoe oneerlijk dat is. Van die gedachte word ik triest. Het was veel te vroeg. Het is altijd veel te vroeg.

Ik denk wat een koffiefilosoof denkt over mensen die koffie drinken. Die bewust ongeschoren man met het warrige haar, een schrijver waarschijnlijk. In zijn ogen zie je de droom van minstens één bestseller, van roem, optredens en vertaald worden in 24 talen. Waaronder het Farsi. De vrouw met het haar in een dot, grote gouden oorbellen, een alleenstaande mama van 35 met twee kinderen en een huis dat bijna is afbetaald. Uit het drukke getyp op haar Macbook (met iets anders val je hier uit de toon) borrelen inspiratie en ambitie op.

Aan het tafeltje in de hoek verstopt een vrouw zich achter een verse muntthee, ze is alleen en staart in het oneindige, haar blik vol melancholie over een liefde die niet mag zijn. Je voelt de twijfel, de tristesse. Maar zij houdt de moed erin, gaat door, geeft niet op. Dan is er de oma, een karakterkop weggelopen uit een Vlaams boerenepos, die duidelijk een moeilijk gesprek voert met iemand die vermoedelijk haar dochter is. Zij strijkt voor de honderdste keer door haar zilveren haar. Een tic? Of wrijft zij haar ergernis weg? Mijn haar naar achter strijken, ik zou dat ook doen als ik ergens ergernis over voel. Het is een gebaar waarmee je ogenschijnlijk de ergernis achter je laat. Had ik maar haar.

Naast mij zitten twee vrouwen, allebei op dezelfde manier hip gekleed, een spiegel van elkaar. Zij swipen druk door interieurspullen op Pinterest. Eindeloos op zoek naar inspiratie. In elke swipe schuilt een beetje hoop, een beetje toekomst. Een moeder buigt zich over een krijsende kleuter in een buggy en troost hem met een Lotusspeculoosje en een pluchen poes uit Zweden. Dat is liefde.

Wat zien die mensen in de hartvormige schuimlaag op hun cappuccino? Wat hangt er in de lucht tussen de zinnen van hun schijnbaar luchtige gesprekken? Misschien vinden zij ooit het ultieme geluk, misschien gaan zij ten onder aan wanhoop. En ik, ik lepel het bodempje schuim uit mijn koffiekop, trek mijn jas aan en ga op pad. Op weg naar andere gedachten. Gewoon zorgen dat ik niet bevries, dan komt alles goed.

Sintbreker

Geachte heer Nikolaas,
Beste Sint,

Mijn excuses en oprechte verontschuldigingen en vele malen sorry voor het ietwat buitensporig geweld. U heeft gelijk, niet alleen omdat de Sint altijd gelijk heeft, maar gewoon omdat u gelijk heeft. Ik had u niet in het gezicht moeten slaan. Ik had uw bril niet moeten stuktrappen en ik had uw staf niet onder uw soutane moeten inbrengen op een plaats waar de zon niet placht te schijnen. En u ook niet moeten toetakelen met het scherp geslepen keukenmes. Ook mijn excuses aan uw assistent/helper/collega. Ik hoop dat het goed komt met zijn oog en zijn neus (toch niet gebroken?). Over de weggerukte oorbel waren de mensen van de ambulance formeel, dat blijft een litteken. Maar ja, een man zonder littekens is een man die niet heeft geleefd, nietwaar?

Het meest van al zitten wij in met uw vervoermiddel van het type schimmel. Om de schade te compenseren zullen wij elk jaar een bedrag doneren aan de vzw BlindHorse die blindengeleidehonden voor paarden opleidt.

Bij deze maak ik u bovendien de verontschuldigingen over van de speciale interventiemensen van de Gentse politie. Vooral dat van dat ‘ouwe’ vonden zij achteraf gezien zelf enigszins misplaatst. Maar dat handboeien hard spannen, dat schijnt normaal te zijn.

Ik hoop nu maar dat mijn briefje u bereikt daar in de Nieuwe Wandeling en dat u niet de muren van uw voorlopig verblijf op loopt door wat ik nu ga schrijven. Verontschuldigingen zijn op hun plaats, maar laat ons vooral niet te ver gaan.

Met alle respect, maar ik vind het niet erg slim van u. Meer nog: ik leg de verantwoordelijkheid voor het gebeurde volledig bij u en uw gevolg van vuile mannen met besmeurde gezichten.

We schrijven 2 december. Waarom staat u dan middenin de nacht aan een deur te morrelen, in een buurt geplaagd door inbraken? Had uw assistent/adjunct/vleugelcommandant beter zijn huiswerk gemaakt, u had geweten hoe alert wij hier in onze straat zijn voor alles wat neigt naar het ongewenst openmaken van deuren en ramen.

Hier zijn al verscheidene smartphones, televisies, elektrische fietsen – ja zelfs speelgoed –  verdwenen nadat een deur of raam werd opengebroken. Is het dan abnormaal dat een mens licht slaapt en ligt te waken in de donkere nacht? Is het dan abnormaal dat een mens zijn eigendom én zijn kroost beschermt en verdedigt? U weet beslist welke oerinstincten kinderen in een mens laten opborrelen.

U bracht – achteraf gezien terecht – aan dat u de goedheilig man bent. Dat ik u dan toch nog te lijf ben gegaan, heeft alles te maken met de teloorgang van tradities. Toen ik nog een kind was, zat u tegelijkertijd in de Sarma én in de GB. Dat klopte al niet, zelfs een heilige kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, maar de schade bleef nog beperkt en de uitleg dat één van de twee een hulpsint was, wou ik nog graag geloven. Maar hoeveel nepsinten lopen er vandaag de dag niet rond? Daar komt nog bij dat Zwarte Piet eigenlijk ook geen échte Zwarte Piet is.
Stel uzelf temidden van al die verwarring eens in mijn plaats. Is de man die ’s nachts uw voordeur probeert open te krijgen Sinterklaas of een inbreker verkleed als Sinterklaas? Is de man die hem vergezeld zijn befaamde bijslaap of een inbreker die het gezicht heeft gezwart teneinde niet op te vallen in de nacht? In geval van twijfel is kordaat handelen bij mijn weten het beste wat een mens kan doen. En 101 bellen zoals u heeft gemerkt.

Het nachtelijke misverstand werd nog versterkt door iets dat ook volledig in uw handen lag: timing. Sinterklaas zijnde zou u het beter moeten weten dan wie ook: timing is cruciaal. U maakt kinderen blij met pakjes op 6 december. Komt Sinterklaas enkele dagen te vroeg, dan is dat verdacht. Levert hij na 6 december, dan volgt grote teleurstelling. Dat is zoiets als een koerierdienst die een dag te vroeg of te laat aanbelt met je internetbestelling: niet normaal!

Ter uwer verdediging kan worden aangebracht dat al het werk van een jaar moeten doen in één nacht erg vermoeiend is voor een man van uw leeftijd. En werktijdverkorting, loopbaanspreiding, uitbolbanen … zijn tegenwoordig erg in. Maar die vlieger gaat voor u niet op. U bent zelfstandige, u installeerde 6 december zelf en hield de traditie jarenlang in stand. U koos ervoor om 364 dagen op uw luie krent te zitten en al het werk in één nacht af te haspelen. Uw goed recht, maar als u dan plots uw werkschema wijzigt, zorgt dat voor chaos en misverstanden. Waar u nu dus zelf het slachtoffer van bent geworden. Ik vraag u dus nogmaals: wat deed u – gezien uw positie op de kalender – in de nacht van 2 op 3 december aan onze nachtelijke voordeur?

En wat is er mis met een schouw? U probeert een deur open te krijgen die is voorzien van veiligheidsbeslag en een driepuntssluiting. Mag ik vragen waarom? U komt al eeuwen binnen langs de schouw. In tijden van alarmsystemen die gekoppeld zijn aan smartphone apps, privatisering van politietaken en goed afgerichte pitbulls raad ik u aan ook hier de traditie trouw te blijven en gewoon langs de schouw af te dalen. Uw personeel is dat gewoon en oké, wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten, maar dat is dan ook zowat het ergste wat kan gebeuren. Had u bij ons de schouw genomen, onze hoogrendementsketel had u met veel warme liefde ontvangen.

Eerlijk gezegd slaat het mij met verstomming dat iemand met zoveel ervaring als uzelf, met zowat een eeuwigheid aan nachtelijke activiteit op de teller, zo’n stommiteit begaat. Misschien vindt u het vermoeiend de evoluties in onze maatschappij op de voet te volgen, wel dan ook hier een goede raad, er zijn maar twee dingen die tellen beste Sint: timing en traditie!

Ik wil niet gezegd hebben dat het uw schuld is, trekt u zelf maar die conclusie. En ik weet dat het een bittere pil om slikken is, zo bitter als de bitterste chocoladesinterklaas, maar ik wil dat u eens goed nadenkt over uw daden voor u weer op pad gaat. U moet beseffen dat u niet alleen uzelf maar ook uw collega (die van hohoho) in discrediet heeft gebracht met uw voortijdelijk en lichtzinnig optreden.

 

Framboos

Dit is een onwaarschijnlijk verhaal. Over een framboos. Een onwaarschijnlijke framboos. En over dingen stuk maken. Maar dat komt later. Eerst de framboos.

We schrijven 25 oktober, herfst, de zon voert wanhopig strijd met laaghangende mist, de vorst regeert bij nacht. En toch, en toch prijkt er aan de frambozenstruik die wild woekert in de border van ons stadsterras nog een framboos. Een prachtige framboos.

Zij hangt daar fier en machtig rood aan haar stengeltje. Dauwdruppels doen haar glanzen en benadrukken haar perfecte bouw. Het ene bolletje past perfect in het volgende bolletje en zo heeft zich een welhaast koninklijke kegel gevormd. Heel onwaarschijnlijk hoe een framboos zo’n schoonheid tentoon kan spreiden. Het ontroert mij en ik word er zowaar ook vrolijk van. Zij is een rood lichtpuntje in een grijze wereld. Wat haar adembenemende schoonheid extra in het oog laat springen, is het verval dat om haar heen is ingezet. De stengel waaraan zij groeit begint al bruine vlekken te vertonen. De bladeren om haar heen hangen er verwelkt bij of zijn al lang opgegeten door rupsen. Maar zij houdt stand.

Het maakt mij onwaarschijnlijk nieuwsgierig. Hoe zou zij smaken? Valt zij nog te eten? Valt zij te plukken?  Misschien laat ik haar beter hangen.

Mijn hand beslist daar anders over. Ik reik naar haar, neem haar zachtjes vast tussen duim en wijsvinger en probeer haar heel voorzichtig van haar witte hart af te halen. Zij komt niet gewillig mee. Is dit een weerbarstige framboos? Ik laat mij niet uit het veld slaan door een framboos, dat nog net niet. Ik moet en zal haar over mijn tong laten rollen en haar sap in mijn mond proeven. Ik kan haar toch niet voor die gemene merels en de eksters laten?

Dus probeer ik haar nog eens los te trekken. Met iets meer kracht van duim en wijsvinger. En dan verander ik mijn greep, ik trek niet aan haar kegel, maar aan aan haar bolle bovenkant, met duim, wijsvinger en middenvinger als een kleine klauw om haar heen. Zij laat niet los. Onwaarschijnlijk hoe deze vrucht schijnbaar niet te plukken valt. Zij mag dan wel onbewogen aan haar stengel blijven hangen, zij zal van mij zijn. Deze ochtend nog. Ik doe nog een poging, duim en wijsvinger knijpend om haar kegel trek ik zo hard dat de hele plant meebuigt tot de framboos met een droge knap losschiet.

Tussen mijn vingers zit een pulpje, haar sap sijpelt triest in mijn hand, haar partikeltjes zijn vermorzeld. Ik kijk naar de kapotgeknepen vrucht en ergens rond mijn hart vormt zich een harde bol die plots naar boven schiet en hard tegen mijn strottenhoofd aan botst, dat doet pijn, tot tranen toe. Onwaarschijnlijk hoe ik schoonheid kan stukmaken.

 

© David Van Bambost

Vogelen

Ik durf wel eens met het hoofd in de nek naar het zwerk turen om te raden wat daar zoal rondfladdert. Veronderstel in mij geen volleerd ornitholoog, maar een eenvoudige mens met bewondering voor het vlieg- en stuntwerk van onze gevederde vrienden. De boerenzwaluw die als een vinnig jachtvliegtuigje achter insecten aanjaagt. Twee kauwen die elkaar hoog in de lucht de duvel aandoen om hun territoriumdrift te bevredigen en daarbij krijsend met de poten in elkaar haken. De simpele duif die van een flatgebouw naar een boom zweeft. De meeuwen die spelen met de thermiek langs de wolkenkrabbers aan de kust en met één vleugelslag tientallen meters ver zeilen. Ik zou er zowaar lyrisch van worden, mocht ik niet stevig met beide voeten op de grond staan.

Op een laatzomerse herfstavond zit ik naar een duif te staren die op het dak van ons huis is geland. Pseudofilosofisch merk ik tegen mijn dochter van tien op dat vogels toch eigenlijk wel machtiger wezens zijn dan mensen zoals zij zich zonder veel poeha en zonder kerosine van de grond verheffen om vervolgens op de nok van het dak te gaan zitten balanceren. Hun blik op het aards bestaan is er een van overzicht, terwijl wij met onze kop in de grond lopen. Zij hebben de vrijheid om te vliegen en te landen waar zij dat willen, ontheven van verbintenissen en verplichtingen. Hoe zouden wij zijn, mochten wij vliegen kunnen?
Mijn dochter van tien beaamt mijn bewondering en vraagt zich in één moeite af hoe die beesten dat toch doen zo zonder hersenen.

Zonder hersenen? vraag ik verwonderd.
Ha ja, vogels hebben toch geen hersens?

De volgende gezinsuitstap gaat dus richting Het Zwin. Het is de zoveelste laatste mooie dag van deze zomerherfst. In het natuurreservaat zijn er meer mensen dan vogels. We bevinden ons in het gezelschap van zondagse wandelaars, zo uit een Knokse boetiek weggelopen, recht de Zwinvlakte op. Dit volkje let goed op de dure designerlaarzen niet te bevuilen met het slijk van schorren en slikken. Noblesse oblige. Evengoed lopen er lieden rond in camouflagekleuren, zij gaan op in het decor. Speurend naar tureluur, grauwe gans en veldleeuwerik zijn zij te herkennen aan warrige baard en haartooi, blote voeten in sandalen en een kanon van een verrekijker op statief. Ik benijd hen wel een beetje, zij die een kleine mantelmeeuw, grote mantelmeeuw, drieteenmeeuw en zilvermeeuw, al dan niet juveniel, in winter- of zomerkleed van elkaar kunnen onderscheiden. Het is een hele kunst, maar ach, een mens kan niet alles weten en kunnen.

Waarom moeten we naar Het Zwin?, zeurt de zoon van twaalf, Ik wil naar zee.
Op die leeftijd weet je niet of het gezeur een échte verzuchting is of enkel een pose, een soort stoerdoenerij. Tegenspreken om tegen te spreken.
Het Zwin ís aan zee.
Pff, op tien kilometer afstand.
Dat is zeker geen tien kilometer. Kom we gaan eens in die kijkhut kijken.
Goh, die schiet ik zo kapot met de laserkanonnen van mijn AT-AT walker.
Zucht. Kijk een kluut, of is het een wulp?

Hangt ervan af hoe zijn bek krult, merkt de mama op. Zij heeft een punt, zoals steeds.

Daar, die betonnen kijkhut is ideaal voor street runners. Mag ik er op klimmen?
Nee, je mag er niet op klimmen. Daar, een witte reiger.

Mijn voeten doen pijn, zeurt dochter van tien. Zij weet ondertussen dat vogels wél hersenen hebben en ook hoe een ei wordt gemaakt en dat er zoiets als de vogeltrek is. Aan de basis van haar gezeur ligt wel degelijk een probleem, namelijk nieuwe bottines. Al kan het ook deels psychosomatisch zijn. Wij weten dat we er beter niet op ingaan, want zij durft te reageren met een pathetiek die zij imiteert van hysterische jonge wichten in televisieseries op Disney Channel. Dat soort toestanden vermijdt een mens liever op een zonnige herfstdag midden in de natuur.

We vlijen ons neer tussen lamsoor en klein schorrenkruid, met de najaarszon op ons gezicht. een spriet kweldergras kriebelt in mijn neus. De kinderen bouwen met platte stenen een ponton van slik  naar slik. En plots kan het mij geen barst meer schelen of hun schoenen straks vol slijk hangen, of zij iets opsteken van mijn pedagogisch gepreek, of zij het hier naar hun zin hebben of niet. Laat maar waaien, de zon schijnt, aan de hemel drijven schapenwolkjes voorbij en daartussen zweven majestueuze meeuwen. Geelpootmeeuwen. Of zilvermeeuwen. Of de kleine mantelmeeuw. In zomerkleed of al in winterkleed. Dat wil ik kwijt zijn.

 

© David Van Bambost

Nazi, moi?

Muggenzifter. Mierenneuker. Kommaneuker. Ambetanterik. Conservatief. Pietje precies. Ik kreeg het al allemaal naar mijn hoofd geslingerd. Maar ‘nazi’, neen dat durfde nog niemand. Tot nu.

Voor de Week van het Nederlands – elk zijn week doet geen pijn –  boksten Radio 1 en De Standaard een taaltest ineen onder de noemer ‘De Grote Taalnazi-test’. Doe de test (duurt slechts 7 minuten) en vis uit of u iemand bent die zich heel erg stoort aan taalfouten.

Het lijkt me dat iemand die zich heel erg stoort aan taalfouten die test niet hoeft te doen. Wij weten dat van onszelf. Taalfouten – zelf gemaakt of van iemand anders – zijn mij (soms) een doorn in het oog. Niet in die mate dat de luttele haren mij te berge rijzen, niet zo erg dat ik er iemand voor veroordeel (nu ja), maar de doorn prikt soms wel zo hard dat ik – spontaan – de fout verbeter. Luidop. Ik wéét dat dit een slechte eigenschap is en probeer het niet te doen. Maar soms is het sterker dan mijzelf. En dan ben ik dus een ‘nazi’? Ik vind dat grof.

De nazi’s hebben onder meer bijna een volledig volk over de kling gejaagd en duizenden mensen die niet in het kraam van hun ideologie pasten, vervolgd, gefolterd, vergast of op een andere gruwelijke manier afgemaakt. Dat je iemand die zich aan taalfouten stoort daarmee vergelijkt, dat stoort mij.

Dus. U steekt uw middenvinger op naar iemand die een verkeersovertreding begaat? Verkeer-Pol Pot! U wijst iemand op een minder goed cuisson? Culinaire Gestapo! U vindt een rekenfout? Wiskunde-Saddam! U schreeuwt ‘buitenspel’? Stalin van de sport! U durft iemands wijnkeuze in twijfel trekken? Vinochet!

 

© David Van Bambost