Sintbreker

Geachte heer Nikolaas,
Beste Sint,

Mijn excuses en oprechte verontschuldigingen en vele malen sorry voor het ietwat buitensporig geweld. U heeft gelijk, niet alleen omdat de Sint altijd gelijk heeft, maar gewoon omdat u gelijk heeft. Ik had u niet in het gezicht moeten slaan. Ik had uw bril niet moeten stuktrappen en ik had uw staf niet onder uw soutane moeten inbrengen op een plaats waar de zon niet placht te schijnen. En u ook niet moeten toetakelen met het scherp geslepen keukenmes. Ook mijn excuses aan uw assistent/helper/collega. Ik hoop dat het goed komt met zijn oog en zijn neus (toch niet gebroken?). Over de weggerukte oorbel waren de mensen van de ambulance formeel, dat blijft een litteken. Maar ja, een man zonder littekens is een man die niet heeft geleefd, nietwaar?

Het meest van al zitten wij in met uw vervoermiddel van het type schimmel. Om de schade te compenseren zullen wij elk jaar een bedrag doneren aan de vzw BlindHorse die blindengeleidehonden voor paarden opleidt.

Bij deze maak ik u bovendien de verontschuldigingen over van de speciale interventiemensen van de Gentse politie. Vooral dat van dat ‘ouwe’ vonden zij achteraf gezien zelf enigszins misplaatst. Maar dat handboeien hard spannen, dat schijnt normaal te zijn.

Ik hoop nu maar dat mijn briefje u bereikt daar in de Nieuwe Wandeling en dat u niet de muren van uw voorlopig verblijf op loopt door wat ik nu ga schrijven. Verontschuldigingen zijn op hun plaats, maar laat ons vooral niet te ver gaan.

Met alle respect, maar ik vind het niet erg slim van u. Meer nog: ik leg de verantwoordelijkheid voor het gebeurde volledig bij u en uw gevolg van vuile mannen met besmeurde gezichten.

We schrijven 2 december. Waarom staat u dan middenin de nacht aan een deur te morrelen, in een buurt geplaagd door inbraken? Had uw assistent/adjunct/vleugelcommandant beter zijn huiswerk gemaakt, u had geweten hoe alert wij hier in onze straat zijn voor alles wat neigt naar het ongewenst openmaken van deuren en ramen.

Hier zijn al verscheidene smartphones, televisies, elektrische fietsen – ja zelfs speelgoed –  verdwenen nadat een deur of raam werd opengebroken. Is het dan abnormaal dat een mens licht slaapt en ligt te waken in de donkere nacht? Is het dan abnormaal dat een mens zijn eigendom én zijn kroost beschermt en verdedigt? U weet beslist welke oerinstincten kinderen in een mens laten opborrelen.

U bracht – achteraf gezien terecht – aan dat u de goedheilig man bent. Dat ik u dan toch nog te lijf ben gegaan, heeft alles te maken met de teloorgang van tradities. Toen ik nog een kind was, zat u tegelijkertijd in de Sarma én in de GB. Dat klopte al niet, zelfs een heilige kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, maar de schade bleef nog beperkt en de uitleg dat één van de twee een hulpsint was, wou ik nog graag geloven. Maar hoeveel nepsinten lopen er vandaag de dag niet rond? Daar komt nog bij dat Zwarte Piet eigenlijk ook geen échte Zwarte Piet is.
Stel uzelf temidden van al die verwarring eens in mijn plaats. Is de man die ’s nachts uw voordeur probeert open te krijgen Sinterklaas of een inbreker verkleed als Sinterklaas? Is de man die hem vergezeld zijn befaamde bijslaap of een inbreker die het gezicht heeft gezwart teneinde niet op te vallen in de nacht? In geval van twijfel is kordaat handelen bij mijn weten het beste wat een mens kan doen. En 101 bellen zoals u heeft gemerkt.

Het nachtelijke misverstand werd nog versterkt door iets dat ook volledig in uw handen lag: timing. Sinterklaas zijnde zou u het beter moeten weten dan wie ook: timing is cruciaal. U maakt kinderen blij met pakjes op 6 december. Komt Sinterklaas enkele dagen te vroeg, dan is dat verdacht. Levert hij na 6 december, dan volgt grote teleurstelling. Dat is zoiets als een koerierdienst die een dag te vroeg of te laat aanbelt met je internetbestelling: niet normaal!

Ter uwer verdediging kan worden aangebracht dat al het werk van een jaar moeten doen in één nacht erg vermoeiend is voor een man van uw leeftijd. En werktijdverkorting, loopbaanspreiding, uitbolbanen … zijn tegenwoordig erg in. Maar die vlieger gaat voor u niet op. U bent zelfstandige, u installeerde 6 december zelf en hield de traditie jarenlang in stand. U koos ervoor om 364 dagen op uw luie krent te zitten en al het werk in één nacht af te haspelen. Uw goed recht, maar als u dan plots uw werkschema wijzigt, zorgt dat voor chaos en misverstanden. Waar u nu dus zelf het slachtoffer van bent geworden. Ik vraag u dus nogmaals: wat deed u – gezien uw positie op de kalender – in de nacht van 2 op 3 december aan onze nachtelijke voordeur?

En wat is er mis met een schouw? U probeert een deur open te krijgen die is voorzien van veiligheidsbeslag en een driepuntssluiting. Mag ik vragen waarom? U komt al eeuwen binnen langs de schouw. In tijden van alarmsystemen die gekoppeld zijn aan smartphone apps, privatisering van politietaken en goed afgerichte pitbulls raad ik u aan ook hier de traditie trouw te blijven en gewoon langs de schouw af te dalen. Uw personeel is dat gewoon en oké, wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten, maar dat is dan ook zowat het ergste wat kan gebeuren. Had u bij ons de schouw genomen, onze hoogrendementsketel had u met veel warme liefde ontvangen.

Eerlijk gezegd slaat het mij met verstomming dat iemand met zoveel ervaring als uzelf, met zowat een eeuwigheid aan nachtelijke activiteit op de teller, zo’n stommiteit begaat. Misschien vindt u het vermoeiend de evoluties in onze maatschappij op de voet te volgen, wel dan ook hier een goede raad, er zijn maar twee dingen die tellen beste Sint: timing en traditie!

Ik wil niet gezegd hebben dat het uw schuld is, trekt u zelf maar die conclusie. En ik weet dat het een bittere pil om slikken is, zo bitter als de bitterste chocoladesinterklaas, maar ik wil dat u eens goed nadenkt over uw daden voor u weer op pad gaat. U moet beseffen dat u niet alleen uzelf maar ook uw collega (die van hohoho) in discrediet heeft gebracht met uw voortijdelijk en lichtzinnig optreden.

 

Framboos

Dit is een onwaarschijnlijk verhaal. Over een framboos. Een onwaarschijnlijke framboos. En over dingen stuk maken. Maar dat komt later. Eerst de framboos.

We schrijven 25 oktober, herfst, de zon voert wanhopig strijd met laaghangende mist, de vorst regeert bij nacht. En toch, en toch prijkt er aan de frambozenstruik die wild woekert in de border van ons stadsterras nog een framboos. Een prachtige framboos.

Zij hangt daar fier en machtig rood aan haar stengeltje. Dauwdruppels doen haar glanzen en benadrukken haar perfecte bouw. Het ene bolletje past perfect in het volgende bolletje en zo heeft zich een welhaast koninklijke kegel gevormd. Heel onwaarschijnlijk hoe een framboos zo’n schoonheid tentoon kan spreiden. Het ontroert mij en ik word er zowaar ook vrolijk van. Zij is een rood lichtpuntje in een grijze wereld. Wat haar adembenemende schoonheid extra in het oog laat springen, is het verval dat om haar heen is ingezet. De stengel waaraan zij groeit begint al bruine vlekken te vertonen. De bladeren om haar heen hangen er verwelkt bij of zijn al lang opgegeten door rupsen. Maar zij houdt stand.

Het maakt mij onwaarschijnlijk nieuwsgierig. Hoe zou zij smaken? Valt zij nog te eten? Valt zij te plukken?  Misschien laat ik haar beter hangen.

Mijn hand beslist daar anders over. Ik reik naar haar, neem haar zachtjes vast tussen duim en wijsvinger en probeer haar heel voorzichtig van haar witte hart af te halen. Zij komt niet gewillig mee. Is dit een weerbarstige framboos? Ik laat mij niet uit het veld slaan door een framboos, dat nog net niet. Ik moet en zal haar over mijn tong laten rollen en haar sap in mijn mond proeven. Ik kan haar toch niet voor die gemene merels en de eksters laten?

Dus probeer ik haar nog eens los te trekken. Met iets meer kracht van duim en wijsvinger. En dan verander ik mijn greep, ik trek niet aan haar kegel, maar aan aan haar bolle bovenkant, met duim, wijsvinger en middenvinger als een kleine klauw om haar heen. Zij laat niet los. Onwaarschijnlijk hoe deze vrucht schijnbaar niet te plukken valt. Zij mag dan wel onbewogen aan haar stengel blijven hangen, zij zal van mij zijn. Deze ochtend nog. Ik doe nog een poging, duim en wijsvinger knijpend om haar kegel trek ik zo hard dat de hele plant meebuigt tot de framboos met een droge knap losschiet.

Tussen mijn vingers zit een pulpje, haar sap sijpelt triest in mijn hand, haar partikeltjes zijn vermorzeld. Ik kijk naar de kapotgeknepen vrucht en ergens rond mijn hart vormt zich een harde bol die plots naar boven schiet en hard tegen mijn strottenhoofd aan botst, dat doet pijn, tot tranen toe. Onwaarschijnlijk hoe ik schoonheid kan stukmaken.

 

© David Van Bambost

Vogelen

Ik durf wel eens met het hoofd in de nek naar het zwerk turen om te raden wat daar zoal rondfladdert. Veronderstel in mij geen volleerd ornitholoog, maar een eenvoudige mens met bewondering voor het vlieg- en stuntwerk van onze gevederde vrienden. De boerenzwaluw die als een vinnig jachtvliegtuigje achter insecten aanjaagt. Twee kauwen die elkaar hoog in de lucht de duvel aandoen om hun territoriumdrift te bevredigen en daarbij krijsend met de poten in elkaar haken. De simpele duif die van een flatgebouw naar een boom zweeft. De meeuwen die spelen met de thermiek langs de wolkenkrabbers aan de kust en met één vleugelslag tientallen meters ver zeilen. Ik zou er zowaar lyrisch van worden, mocht ik niet stevig met beide voeten op de grond staan.

Op een laatzomerse herfstavond zit ik naar een duif te staren die op het dak van ons huis is geland. Pseudofilosofisch merk ik tegen mijn dochter van tien op dat vogels toch eigenlijk wel machtiger wezens zijn dan mensen zoals zij zich zonder veel poeha en zonder kerosine van de grond verheffen om vervolgens op de nok van het dak te gaan zitten balanceren. Hun blik op het aards bestaan is er een van overzicht, terwijl wij met onze kop in de grond lopen. Zij hebben de vrijheid om te vliegen en te landen waar zij dat willen, ontheven van verbintenissen en verplichtingen. Hoe zouden wij zijn, mochten wij vliegen kunnen?
Mijn dochter van tien beaamt mijn bewondering en vraagt zich in één moeite af hoe die beesten dat toch doen zo zonder hersenen.

Zonder hersenen? vraag ik verwonderd.
Ha ja, vogels hebben toch geen hersens?

De volgende gezinsuitstap gaat dus richting Het Zwin. Het is de zoveelste laatste mooie dag van deze zomerherfst. In het natuurreservaat zijn er meer mensen dan vogels. We bevinden ons in het gezelschap van zondagse wandelaars, zo uit een Knokse boetiek weggelopen, recht de Zwinvlakte op. Dit volkje let goed op de dure designerlaarzen niet te bevuilen met het slijk van schorren en slikken. Noblesse oblige. Evengoed lopen er lieden rond in camouflagekleuren, zij gaan op in het decor. Speurend naar tureluur, grauwe gans en veldleeuwerik zijn zij te herkennen aan warrige baard en haartooi, blote voeten in sandalen en een kanon van een verrekijker op statief. Ik benijd hen wel een beetje, zij die een kleine mantelmeeuw, grote mantelmeeuw, drieteenmeeuw en zilvermeeuw, al dan niet juveniel, in winter- of zomerkleed van elkaar kunnen onderscheiden. Het is een hele kunst, maar ach, een mens kan niet alles weten en kunnen.

Waarom moeten we naar Het Zwin?, zeurt de zoon van twaalf, Ik wil naar zee.
Op die leeftijd weet je niet of het gezeur een échte verzuchting is of enkel een pose, een soort stoerdoenerij. Tegenspreken om tegen te spreken.
Het Zwin ís aan zee.
Pff, op tien kilometer afstand.
Dat is zeker geen tien kilometer. Kom we gaan eens in die kijkhut kijken.
Goh, die schiet ik zo kapot met de laserkanonnen van mijn AT-AT walker.
Zucht. Kijk een kluut, of is het een wulp?

Hangt ervan af hoe zijn bek krult, merkt de mama op. Zij heeft een punt, zoals steeds.

Daar, die betonnen kijkhut is ideaal voor street runners. Mag ik er op klimmen?
Nee, je mag er niet op klimmen. Daar, een witte reiger.

Mijn voeten doen pijn, zeurt dochter van tien. Zij weet ondertussen dat vogels wél hersenen hebben en ook hoe een ei wordt gemaakt en dat er zoiets als de vogeltrek is. Aan de basis van haar gezeur ligt wel degelijk een probleem, namelijk nieuwe bottines. Al kan het ook deels psychosomatisch zijn. Wij weten dat we er beter niet op ingaan, want zij durft te reageren met een pathetiek die zij imiteert van hysterische jonge wichten in televisieseries op Disney Channel. Dat soort toestanden vermijdt een mens liever op een zonnige herfstdag midden in de natuur.

We vlijen ons neer tussen lamsoor en klein schorrenkruid, met de najaarszon op ons gezicht. een spriet kweldergras kriebelt in mijn neus. De kinderen bouwen met platte stenen een ponton van slik  naar slik. En plots kan het mij geen barst meer schelen of hun schoenen straks vol slijk hangen, of zij iets opsteken van mijn pedagogisch gepreek, of zij het hier naar hun zin hebben of niet. Laat maar waaien, de zon schijnt, aan de hemel drijven schapenwolkjes voorbij en daartussen zweven majestueuze meeuwen. Geelpootmeeuwen. Of zilvermeeuwen. Of de kleine mantelmeeuw. In zomerkleed of al in winterkleed. Dat wil ik kwijt zijn.

 

© David Van Bambost

Nazi, moi?

Muggenzifter. Mierenneuker. Kommaneuker. Ambetanterik. Conservatief. Pietje precies. Ik kreeg het al allemaal naar mijn hoofd geslingerd. Maar ‘nazi’, neen dat durfde nog niemand. Tot nu.

Voor de Week van het Nederlands – elk zijn week doet geen pijn –  boksten Radio 1 en De Standaard een taaltest ineen onder de noemer ‘De Grote Taalnazi-test’. Doe de test (duurt slechts 7 minuten) en vis uit of u iemand bent die zich heel erg stoort aan taalfouten.

Het lijkt me dat iemand die zich heel erg stoort aan taalfouten die test niet hoeft te doen. Wij weten dat van onszelf. Taalfouten – zelf gemaakt of van iemand anders – zijn mij (soms) een doorn in het oog. Niet in die mate dat de luttele haren mij te berge rijzen, niet zo erg dat ik er iemand voor veroordeel (nu ja), maar de doorn prikt soms wel zo hard dat ik – spontaan – de fout verbeter. Luidop. Ik wéét dat dit een slechte eigenschap is en probeer het niet te doen. Maar soms is het sterker dan mijzelf. En dan ben ik dus een ‘nazi’? Ik vind dat grof.

De nazi’s hebben onder meer bijna een volledig volk over de kling gejaagd en duizenden mensen die niet in het kraam van hun ideologie pasten, vervolgd, gefolterd, vergast of op een andere gruwelijke manier afgemaakt. Dat je iemand die zich aan taalfouten stoort daarmee vergelijkt, dat stoort mij.

Dus. U steekt uw middenvinger op naar iemand die een verkeersovertreding begaat? Verkeer-Pol Pot! U wijst iemand op een minder goed cuisson? Culinaire Gestapo! U vindt een rekenfout? Wiskunde-Saddam! U schreeuwt ‘buitenspel’? Stalin van de sport! U durft iemands wijnkeuze in twijfel trekken? Vinochet!

 

© David Van Bambost

Gaat het?

Je hoort het tikken van typemachines. Twaalf typemachines waarvan de hamertjes weifelend en haperend tegen de rol slaan. In elke aanslag klinkt onzekerheid door, behalve dan bij de primussen van de klas. Zij die later naar 300 aanslagen per minuut gaan met een nauwkeurigheid van 98%. Het getik en getak echoot in het holle klaslokaal. Vandaag de dag zouden leerlingen verplicht oordopjes moeten dragen vanuit ergo-edu-preventief oogpunt. Wij gaan naar het volgende lesuur met een licht oorsuizen en sluipende hoofdpijn.

Maar goed, daar zitten we dan te klooien van ghghghghghgh fghjfghjfghj iklmiklmiklm enzovoort. Ondertussen sluipt hij door de klas, strak in het driedelige grijze pak, het haar glanzend achterover geplooid met glanzende Brylcreem, het zware montuur streng op de neus. Hij zegt doorgaans niks, geeft geen instructies, brengt de dag door met waken en bewaken. Er zijn meer mensen zoals hij, grijze muizen met een grijs bestaan.

Het zijn de rubberzolen die het hem doen. Je hoort hem niet komen.

Voor iemand als ik, met beperkte motorische capaciteiten, is het een echte uitdaging om telkens weer de juiste toetsen te raken. De q, de a, de m en de p vormen de grootste moeilijkheid. Mijn pink schiet telkens tussen de knopjes. Door te weinig kracht verschijnt er niks op het blad. Of de verkeerde letter. Correctieblaadjes zijn verboden. Streng verboden. Fout blijft fout. Ga daar maar eens aanstaan.

Het is verplichte wekelijkse kost, twee uur blind typen met tien vingers. De toetsen zijn niet afgedekt met klevertjes, maar met een houten bakje – vakwerk van de richting Houtbewerking – dat over het klavier wordt geplaatst.

azertyuiop azertyuiop qmqmqmqmqmqmqm tftftftf jujujujuju kikikikiki kidekidekidekide

Ik staar naar de vreemde lettercombinaties op het opgaveblad en hamer erop los. Iets zegt mij dat deze letterreeksen een betekenis kunnen hebben. Zit de geheime dienst erachter, is dit close encounters of the third kind? Het slorpt mij helemaal op. Alles beter dan te weten waar je werkelijk bent.

Ik heb hem niet horen aankomen. Ik heb het ook niet zien aankomen dat hij plots achter mij staat en luid vlakbij mijn oor snerpt CONcentreren! Ik krijg een halve hartstilstand, mijn lichaam schiet omhoog in een spasme, mijn knie knalt tegen het tafelblad en een ongecontroleerde beweging vanuit de polsen lanceert het houten bakje naar de andere kant van het lokaal. De hele klas gaat plat.

Geamuseerd vraagt hij ‘Gaat het?’

De hamertjes zitten onlosmakelijk in elkaar gehaakt. Op het blad prijkt een zwarte lettervlek. Fout is fout.

© David Van Bambost

 

 

Goal!

Knikkeren, pesten en voetballen. Ziedaar, niet per se in die volgorde, de drie belangrijkste activiteiten op de speelplaats van een katholieke jongensschool ergens midden jaren 70.

Wat het knikkeren betreft, kan ik kort zijn, want, zoals mijn moeder altijd zei: ‘Het leven is een zakje knikkers, je wint er wat, je verliest er wat’.

Pesten, ik denk niet dat ik er heel dikwijls het slachtoffer van was, en ik was zeker geen pester. Ik vervulde veeleer de rol van de VN, de bemiddelaar van de speelplaats.
‘De mof ‘, een Vlaamse jongen die met een Duits accent sprak omdat zijn vader jarenlang in Soest had gelegen, werd veel en hard gepest. Zijn plaaggeesten kieperden zijn boekentas uit in een plas of lieten haar vol water lopen onder de kraan in de wc’s, zij gingen in een cirkel om hem heen staan en schreeuwden iets over de Führer met gestrekte arm of ze schopten hem gewoonweg in elkaar. Ik probeerde tussen te komen, hem te vrijwaren van pesterijen, ik nam het op voor de mof, ook al hadden de Duitsers mijn opa zijn arm eraf geschoten in de Tweede Wereldoorlog. We mogen niet vergeten, maar wel vergeven. Zal wel de invloed van het katholiek onderwijs zijn geweest.Maar hij praatte wel raar, de mof.

Naast de speelplaats lag een voetbalveld met alles erop en eraan. Er was een gemillimeterde grasmat, in strakke banen gemaaid, die zelfs bespeelbaar was bij regenweer. De lijnen werden geregeld bijgetekend door de tuinman die de kunst verstond kaarsrechte lijnen te trekken met z’n verfkarretje. De doelen hadden de professionele afmetingen.

En daar sta ik dan als jonge snotter in mijn wit-blauwe turnpakje, op een voetbalveld dat mijn petje ver te boven gaat. Een beeld dat mij bijblijft en opduikt telkens ik in mijn verdere leven weer eens iets aanpak dat zich ver boven mijn bovengrens situeert. De voetbaljongens dragen voetbalschoenen met tappen waarmee ze venijnig op je scheenbenen stampen terwijl ze zelf scheenlappen dragen. De kapitein van onze ploeg verdeelt de posities en bespreekt de strategie met ‘de jongens die iets van voetbal kennen’. Niet met mij dus. Ik trek ondertussen  mijn kousen zo hoog mogelijk op en wring mijn voeten goed in mijn turnpantoffels die steevast uitslippen als ik op de bal schop. De uitrusting maakt de man.

Met een schril fluitsignaal begint een strijd op leven en dood. Tijdens dit turnuurtje wordt het verschil gemaakt tussen een rustige schoolweek en een week waarin je op hoongelach wordt onthaald.

Ik sta altijd opgesteld als ‘bak’. Jaren later pas heb ik door dat dit eigenlijk de vervlaamsing is van het Engelse ‘back’. In mijn jonge hoofd maak ik de connotatie met vuilnisbak of plantenbak. Links- of rechtsachter, op een plaats waar ik weinig kwaad kan doen, kijk ik werkloos toe hoe mijn goed voetballende ploegmaats aan de andere kant van het veld het mooi weer maken. Goede spitsen en middenvoors geven rust. Maar scoren doen ze niet. Een paar keer ontwaak ik uit mijn lethargie tussen de lijnen door een geschreeuwd ‘pas op!’ of ‘ze zijn daar!’.

Mijn systeem gaat in alarm, lichaam en geest zijn plots superalert, het wilde beest in mij schiet wakker. Al eens gezien hoe een wilde kat die in een hoek is gedreven tekeer gaat ? Wel zoiets, maar dan met witte stokbenen en iets minder elegant. Bovendien heb ik haar dat mijn zicht belemmert. Een pagekopje maakt het leven er niet makkelijker op.
Mijn doelwit is de tegenstander met de bal aan de voet. Waar hij ook loopt, eens hij over de helft van het veld komt, storm ik erop af . Talent wordt hier zwaar gecounterd door verbetenheid. Van ‘blijf op uwe kant’, ‘naar achter’, ‘ge zijt bak’ … trek ik mij geen bal aan, ik moet en zal die bal én speler tegenhouden. Meestal eindig ik met mijn gezicht in de grasmat, soms stop ik de tegenstander.

 

Vandaag is dé dag, de meest heroïsche dag uit mijn prille sportleven. De dag dat ik eens niet over de bal struikel of aan de scheenbeenbeschermers van de tegenstander blijf haperen, maar erin slaag de bal aan de voet te houden en ermee aan de haal te gaan. Binnenkant van de voet, buitenkant van de voet, langs de zijlijn, sprongetje over de voeten van P. die mij natuurlijk probeert te tackelen. Hij is het ook die mij telkens na school de duvel aan doet door mij in de brandnetels te stampen of pootjelap te doen van aan de schoolpoort tot thuis; gepest dat pas stopt wanneer ik hem eens een vlaai vol in zijn gezicht geef.

Nu de tackle voorbij, naar het midden van het veel te grote veld, sneller en sneller om uit handen te blijven van de verdediging die even tijd nodig had om van de verbazing te bekomen, maar nu tot actie overgaat en mij probeert in te sluiten. De bal kleeft aan mijn turnsloefke en ik nader doel, negeer de commando’s om te passen, ga door met mijn fabelachtig onwerkelijk solospel, raas de zestien in, recht op de doelman en – logische samenhang – het doel af.

In het waas van groen (van de grasmat) en grijs (van de bewolkte lucht) zijn de gele keepershandschoenen een lichtbaken dat mij aantrekt als een mot. Ik voel de hete adem van de verdedigers én van de ploeggenoten die willen dat ik de bal afgeef, maar ik ren door, schuim op de lippen, verbeten trek om de mond, en als ik die gele wapperende lichtpunten dicht genoeg genaderd ben, haal ik keihard uit met mijn linkse om vervolgens even keihard tegen de keeper aan te knallen. De bal, de keeper en ikzelf landen in de goal. Goal! Ik heb gescoord. De winnende goal. De keeper heeft een bloedneus, in elke strijd vallen gewonden, en ik ben held voor één dag.

Ik krabbel recht en loop een triomfrondje over het veld, handen in de lucht, ik krijg schouderklopjes van de jongens met echte voetbalschoenen. Goed gescoord! Mooie actie! Maar de plaats van een bak is in de buurt van het eigen doel, blijf vanaf nu maar beter daar. Het laat mij koud, wie nooit buiten de lijnen kleurt, komt nergens.

© David Van Bambost

Het zal de zomer wel zijn

de ochtend geeft je het zingen van vroege vogels
een vreemd gevoel krijgt je al vroeg in z’n greep
duizend vlinders fladd’ren vrolijk rond je hoofd
je wordt wakker en je zweeft
je ruikt de geur van rijpend fruit
ben je daar of ben je hier?
je loopt naast je schoenen van plezier

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten
het zal de zomer wel zijn

de middag verslindt het asfalt van warme straten
het vreemde gevoel houdt je nog steeds in z’n greep
duizend paarden draven vrolijk door je droom
je wordt wakker en je zweeft
blijf je liggen lekker loom?
sta je stil of draai je rond?
je loopt naast je schoenen van genot

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten,
het zal de zomer wel zijn

de avond koestert het licht van late steden.
het vreemde gevoel heeft je nog vast in z’n greep
duizend muggen zoemen vrolijk rond je hoofd
je ligt wakker en je zweeft
zie je het vuur dat is gedoofd?
is dit goed of heb je spijt?
je verstand ben je vanavond kwijt

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten
het zal de zomer wel zijn

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten
het zal de zomer wel zijn

© David Van Bambost/Sabam
Op muziek gezet door Café Noir