Nazi, moi?

Muggenzifter. Mierenneuker. Kommaneuker. Ambetanterik. Conservatief. Pietje precies. Ik kreeg het al allemaal naar mijn hoofd geslingerd. Maar ‘nazi’, neen dat durfde nog niemand. Tot nu.

Voor de Week van het Nederlands – elk zijn week doet geen pijn –  boksten Radio 1 en De Standaard een taaltest ineen onder de noemer ‘De Grote Taalnazi-test’. Doe de test (duurt slechts 7 minuten) en vis uit of u iemand bent die zich heel erg stoort aan taalfouten.

Het lijkt me dat iemand die zich heel erg stoort aan taalfouten die test niet hoeft te doen. Wij weten dat van onszelf. Taalfouten – zelf gemaakt of van iemand anders – zijn mij (soms) een doorn in het oog. Niet in die mate dat de luttele haren mij te berge rijzen, niet zo erg dat ik er iemand voor veroordeel (nu ja), maar de doorn prikt soms wel zo hard dat ik – spontaan – de fout verbeter. Luidop. Ik wéét dat dit een slechte eigenschap is en probeer het niet te doen. Maar soms is het sterker dan mijzelf. En dan ben ik dus een ‘nazi’? Ik vind dat grof.

De nazi’s hebben onder meer bijna een volledig volk over de kling gejaagd en duizenden mensen die niet in het kraam van hun ideologie pasten, vervolgd, gefolterd, vergast of op een andere gruwelijke manier afgemaakt. Dat je iemand die zich aan taalfouten stoort daarmee vergelijkt, dat stoort mij.

Dus. U steekt uw middenvinger op naar iemand die een verkeersovertreding begaat? Verkeer-Pol Pot! U wijst iemand op een minder goed cuisson? Culinaire Gestapo! U vindt een rekenfout? Wiskunde-Saddam! U schreeuwt ‘buitenspel’? Stalin van de sport! U durft iemands wijnkeuze in twijfel trekken? Vinochet!

 

© David Van Bambost

Gaat het?

Je hoort het tikken van typemachines. Twaalf typemachines waarvan de hamertjes weifelend en haperend tegen de rol slaan. In elke aanslag klinkt onzekerheid door, behalve dan bij de primussen van de klas. Zij die later naar 300 aanslagen per minuut gaan met een nauwkeurigheid van 98%. Het getik en getak echoot in het holle klaslokaal. Vandaag de dag zouden leerlingen verplicht oordopjes moeten dragen vanuit ergo-edu-preventief oogpunt. Wij gaan naar het volgende lesuur met een licht oorsuizen en sluipende hoofdpijn.

Maar goed, daar zitten we dan te klooien van ghghghghghgh fghjfghjfghj iklmiklmiklm enzovoort. Ondertussen sluipt hij door de klas, strak in het driedelige grijze pak, het haar glanzend achterover geplooid met glanzende Brylcreem, het zware montuur streng op de neus. Hij zegt doorgaans niks, geeft geen instructies, brengt de dag door met waken en bewaken. Er zijn meer mensen zoals hij, grijze muizen met een grijs bestaan.

Het zijn de rubberzolen die het hem doen. Je hoort hem niet komen.

Voor iemand als ik, met beperkte motorische capaciteiten, is het een echte uitdaging om telkens weer de juiste toetsen te raken. De q, de a, de m en de p vormen de grootste moeilijkheid. Mijn pink schiet telkens tussen de knopjes. Door te weinig kracht verschijnt er niks op het blad. Of de verkeerde letter. Correctieblaadjes zijn verboden. Streng verboden. Fout blijft fout. Ga daar maar eens aanstaan.

Het is verplichte wekelijkse kost, twee uur blind typen met tien vingers. De toetsen zijn niet afgedekt met klevertjes, maar met een houten bakje – vakwerk van de richting Houtbewerking – dat over het klavier wordt geplaatst.

azertyuiop azertyuiop qmqmqmqmqmqmqm tftftftf jujujujuju kikikikiki kidekidekidekide

Ik staar naar de vreemde lettercombinaties op het opgaveblad en hamer erop los. Iets zegt mij dat deze letterreeksen een betekenis kunnen hebben. Zit de geheime dienst erachter, is dit close encounters of the third kind? Het slorpt mij helemaal op. Alles beter dan te weten waar je werkelijk bent.

Ik heb hem niet horen aankomen. Ik heb het ook niet zien aankomen dat hij plots achter mij staat en luid vlakbij mijn oor snerpt CONcentreren! Ik krijg een halve hartstilstand, mijn lichaam schiet omhoog in een spasme, mijn knie knalt tegen het tafelblad en een ongecontroleerde beweging vanuit de polsen lanceert het houten bakje naar de andere kant van het lokaal. De hele klas gaat plat.

Geamuseerd vraagt hij ‘Gaat het?’

De hamertjes zitten onlosmakelijk in elkaar gehaakt. Op het blad prijkt een zwarte lettervlek. Fout is fout.

© David Van Bambost

 

 

Goal!

Knikkeren, pesten en voetballen. Ziedaar, niet per se in die volgorde, de drie belangrijkste activiteiten op de speelplaats van een katholieke jongensschool ergens midden jaren 70.

Wat het knikkeren betreft, kan ik kort zijn, want, zoals mijn moeder altijd zei: ‘Het leven is een zakje knikkers, je wint er wat, je verliest er wat’.

Pesten, ik denk niet dat ik er heel dikwijls het slachtoffer van was, en ik was zeker geen pester. Ik vervulde veeleer de rol van de VN, de bemiddelaar van de speelplaats.
‘De mof ‘, een Vlaamse jongen die met een Duits accent sprak omdat zijn vader jarenlang in Soest had gelegen, werd veel en hard gepest. Zijn plaaggeesten kieperden zijn boekentas uit in een plas of lieten haar vol water lopen onder de kraan in de wc’s, zij gingen in een cirkel om hem heen staan en schreeuwden iets over de Führer met gestrekte arm of ze schopten hem gewoonweg in elkaar. Ik probeerde tussen te komen, hem te vrijwaren van pesterijen, ik nam het op voor de mof, ook al hadden de Duitsers mijn opa zijn arm eraf geschoten in de Tweede Wereldoorlog. We mogen niet vergeten, maar wel vergeven. Zal wel de invloed van het katholiek onderwijs zijn geweest.Maar hij praatte wel raar, de mof.

Naast de speelplaats lag een voetbalveld met alles erop en eraan. Er was een gemillimeterde grasmat, in strakke banen gemaaid, die zelfs bespeelbaar was bij regenweer. De lijnen werden geregeld bijgetekend door de tuinman die de kunst verstond kaarsrechte lijnen te trekken met z’n verfkarretje. De doelen hadden de professionele afmetingen.

En daar sta ik dan als jonge snotter in mijn wit-blauwe turnpakje, op een voetbalveld dat mijn petje ver te boven gaat. Een beeld dat mij bijblijft en opduikt telkens ik in mijn verdere leven weer eens iets aanpak dat zich ver boven mijn bovengrens situeert. De voetbaljongens dragen voetbalschoenen met tappen waarmee ze venijnig op je scheenbenen stampen terwijl ze zelf scheenlappen dragen. De kapitein van onze ploeg verdeelt de posities en bespreekt de strategie met ‘de jongens die iets van voetbal kennen’. Niet met mij dus. Ik trek ondertussen  mijn kousen zo hoog mogelijk op en wring mijn voeten goed in mijn turnpantoffels die steevast uitslippen als ik op de bal schop. De uitrusting maakt de man.

Met een schril fluitsignaal begint een strijd op leven en dood. Tijdens dit turnuurtje wordt het verschil gemaakt tussen een rustige schoolweek en een week waarin je op hoongelach wordt onthaald.

Ik sta altijd opgesteld als ‘bak’. Jaren later pas heb ik door dat dit eigenlijk de vervlaamsing is van het Engelse ‘back’. In mijn jonge hoofd maak ik de connotatie met vuilnisbak of plantenbak. Links- of rechtsachter, op een plaats waar ik weinig kwaad kan doen, kijk ik werkloos toe hoe mijn goed voetballende ploegmaats aan de andere kant van het veld het mooi weer maken. Goede spitsen en middenvoors geven rust. Maar scoren doen ze niet. Een paar keer ontwaak ik uit mijn lethargie tussen de lijnen door een geschreeuwd ‘pas op!’ of ‘ze zijn daar!’.

Mijn systeem gaat in alarm, lichaam en geest zijn plots superalert, het wilde beest in mij schiet wakker. Al eens gezien hoe een wilde kat die in een hoek is gedreven tekeer gaat ? Wel zoiets, maar dan met witte stokbenen en iets minder elegant. Bovendien heb ik haar dat mijn zicht belemmert. Een pagekopje maakt het leven er niet makkelijker op.
Mijn doelwit is de tegenstander met de bal aan de voet. Waar hij ook loopt, eens hij over de helft van het veld komt, storm ik erop af . Talent wordt hier zwaar gecounterd door verbetenheid. Van ‘blijf op uwe kant’, ‘naar achter’, ‘ge zijt bak’ … trek ik mij geen bal aan, ik moet en zal die bal én speler tegenhouden. Meestal eindig ik met mijn gezicht in de grasmat, soms stop ik de tegenstander.

 

Vandaag is dé dag, de meest heroïsche dag uit mijn prille sportleven. De dag dat ik eens niet over de bal struikel of aan de scheenbeenbeschermers van de tegenstander blijf haperen, maar erin slaag de bal aan de voet te houden en ermee aan de haal te gaan. Binnenkant van de voet, buitenkant van de voet, langs de zijlijn, sprongetje over de voeten van P. die mij natuurlijk probeert te tackelen. Hij is het ook die mij telkens na school de duvel aan doet door mij in de brandnetels te stampen of pootjelap te doen van aan de schoolpoort tot thuis; gepest dat pas stopt wanneer ik hem eens een vlaai vol in zijn gezicht geef.

Nu de tackle voorbij, naar het midden van het veel te grote veld, sneller en sneller om uit handen te blijven van de verdediging die even tijd nodig had om van de verbazing te bekomen, maar nu tot actie overgaat en mij probeert in te sluiten. De bal kleeft aan mijn turnsloefke en ik nader doel, negeer de commando’s om te passen, ga door met mijn fabelachtig onwerkelijk solospel, raas de zestien in, recht op de doelman en – logische samenhang – het doel af.

In het waas van groen (van de grasmat) en grijs (van de bewolkte lucht) zijn de gele keepershandschoenen een lichtbaken dat mij aantrekt als een mot. Ik voel de hete adem van de verdedigers én van de ploeggenoten die willen dat ik de bal afgeef, maar ik ren door, schuim op de lippen, verbeten trek om de mond, en als ik die gele wapperende lichtpunten dicht genoeg genaderd ben, haal ik keihard uit met mijn linkse om vervolgens even keihard tegen de keeper aan te knallen. De bal, de keeper en ikzelf landen in de goal. Goal! Ik heb gescoord. De winnende goal. De keeper heeft een bloedneus, in elke strijd vallen gewonden, en ik ben held voor één dag.

Ik krabbel recht en loop een triomfrondje over het veld, handen in de lucht, ik krijg schouderklopjes van de jongens met echte voetbalschoenen. Goed gescoord! Mooie actie! Maar de plaats van een bak is in de buurt van het eigen doel, blijf vanaf nu maar beter daar. Het laat mij koud, wie nooit buiten de lijnen kleurt, komt nergens.

© David Van Bambost

Het zal de zomer wel zijn

de ochtend geeft je het zingen van vroege vogels
een vreemd gevoel krijgt je al vroeg in z’n greep
duizend vlinders fladd’ren vrolijk rond je hoofd
je wordt wakker en je zweeft
je ruikt de geur van rijpend fruit
ben je daar of ben je hier?
je loopt naast je schoenen van plezier

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten
het zal de zomer wel zijn

de middag verslindt het asfalt van warme straten
het vreemde gevoel houdt je nog steeds in z’n greep
duizend paarden draven vrolijk door je droom
je wordt wakker en je zweeft
blijf je liggen lekker loom?
sta je stil of draai je rond?
je loopt naast je schoenen van genot

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten,
het zal de zomer wel zijn

de avond koestert het licht van late steden.
het vreemde gevoel heeft je nog vast in z’n greep
duizend muggen zoemen vrolijk rond je hoofd
je ligt wakker en je zweeft
zie je het vuur dat is gedoofd?
is dit goed of heb je spijt?
je verstand ben je vanavond kwijt

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten
het zal de zomer wel zijn

het zal de zomer zijn
warme zomerdagen
zwoele zomernachten
het zal de zomer wel zijn

© David Van Bambost/Sabam
Op muziek gezet door Café Noir

De wraak van de boekhouder

Mijnheer Dierickx zegt al wekenlang niets meer tegen mij, niet dat hij vroeger spraakzaam was, als opperhoofd van Outbound NV kan hij moeilijk sociabel zijn met het witteboordenwerkvolk, maar de laatste tijd loopt hij mij straal voorbij, mompelt zelfs geen goedemorgen meer en informeert geeneens hoe het met De Cijfers staat (voorheen ging het van: “Hoe staat het met De Cijfers Vandewalle? Alles onder controle? Concentreren en zo voortdoen”, “Alles onder controle mijnheer Dierickx, wij doen stevig verder”),… Dierickx vermijdt mij omdat hij zich schaamt, hij schaamt zich, want hij moet mij, magistraal boekhouder van dienst, ontslag geven met als verschrikkelijke reden: ruksurfen, blote madammen begluren op het net. Mijn surfgedrag moeten die sluwe vossen van Netwerkbeheer ergens in één of ander oude logfile hebben teruggevonden, want na dat geval met die Passat heb ik al een tijd geen internet meer op kantoor. Thuis wel natuurlijk. Home is where the net is. De spitsvondige boekhouder komt altijd weer aan zijn trekken.  Vooral omdat ik, brein van dienst, mij geabonneerd heb op hotchicks met het visanummer van de firma. Zij kunnen mij pakken zoveel ze willen, maar ik pak hen altijd dubbel terug, dat zullen ze voor eens en voor altijd moeten inzien.

Nog 5 minuten zegt mijn Schedule+ en dan is het vergadering met de pope himself, de boss van de keet, en dat op vrijdagavond, het is wel duidelijk, ik lig eruit. En die enkels maar jeuken, terwijl de vieze teersmurrie door mijn witte sokken dringt en sporen op de zoom van mijn broek nalaat. Francine zal nogal lachen, want die mag het boeltje eruit wassen, niet met Dosh wash & go tabletten, maar met goedkoop poeder van de Witte Producten, dodelijk voor het milieu, maar lief voor de portemonnee. Die verdomde jeukpijn is onhoudbaar, het tintelt tot in mijn vingers van ondraaglijkheid, ik zou zo mijn nagels in die kapotte huid willen zetten en haar eens een goede beurt geven.

Tixi, die zou ik ook eens een goede beurt willen geven, mijn wondermooi Japans wijfje, mijn schatje, strak in bedwang gehouden, die traditie zouden wij hier ook moeten hebben.

Marie-Jeanne, mijnheer Dierickx zijn persoonlijke secretaresse, gluurt naar de zoom van mijn broekspijpen en fronst in afgrijzen haar wenkbrauwen bij het zien van zoveel smerigheid rond mijn enkels. Kan ik het helpen dat ik het schurft heb. Terwijl ik naar de dubbele deur van Dierickx’ kantoor stap over hoogpolig tapijt (dat is wat anders dan die oude noppenvloer in onze bureaus), realiseer ik mij dat ik eenvoudigweg als een rat in de val zit, ik ruik de vernedering van de beul voor de doodslag, ik ben het boekhoudhulpje dat wordt geofferd op het schavot van de commerce, en vooral: ik dien als voorbeeld voor de anderen opdat zij in het gelid zouden blijven lopen.

Cru gesteld, strikt genomen, is het Walter zijn schuld dat het schurft mij liggen heeft. Hij dacht begot dat er een wilde kat in de bossen van Aalter zat omdat er serieus werd huisgehouden onder de vogelpopulatie. Ik verkeerde in de veronderstelling dat die oerkat uitgestorven was in onze contreien, maar soit, als erevoorzitter van vogelvereniging “De Wilde Eend” voelde ik mij verplicht samen met mijn dikke vriend de bossen in te trekken. Tijdens twee weekends dweilden we drie keer die honderdveertig hectare af. Hier en daar vonden we resten van opgevreten vogels, af en toe een hoopje pluimen van een eend of zelfs een reiger en veel bloed aan de bomen, maar we bespeurden geen kat, niks geen poes. Op de tweede zondag pootten we bij de oude roeste caravan, het ding staat al jaren te vergaan naast de Kraenepoel, een blik Whiskas neer. Enof we daarmee succes oogstten!

“Succes,” smaalt Marie Jeanne. Zoals altijd weet de heks met blonde nepkrullen, die natuurlijk mijnheer den directeur op tijd en stond pijpt, reeds wat mij te wachten staat. ONTSLAG.  Enfin, ik ben het hier toch beu. Alleen is het vervelend om als perverseling aan de deur gezet te worden, daarom zal ik directeur Dierickx eerst nog eens goed bij zijn ballen pakken zie. Hij zit al klaar, achterover geleund in zijn bureaustoel, een oerang oetan die luiert op een tak, te telefoneren, zogezegd belangrijk, hij wenkt dat ik mag gaan zitten, hijzelf zal diplomatisch tewerk gaan en mij zeggen dat hij om evidente, bekende redenen erg teleurgesteld is in mij, niet in mijn werk, maar in mij, en dat het daarom beter is dat ik de firma verlaat. Hij mag dan diplomatisch zijn, ik, de wreker, zal het hard spelen.

Met Tixi speel ik geen spelletjes, ik verzamel haar, in wel honderd verschillende houdingen op mijn harde schijf, dat heeft mij, enfin Outbound NV, al meer dan 275 $ gekost, maar Tixi is dat waard, mijn vernederde nimf, mijn muze voor het leven, ingesnoerd, niet in staat mij te ontglippen, zo moet het zijn, zij zal mij nooit verlaten, nooit mijn hart breken. Tixi staat op mijn harde schijf en soms, Francine is dan al naar boven om te gaan lezen, moet ik ’s avonds nog een rapport afwerken, zogezegd, zogezegd, en dan kan ik als member ‘Catman4’ inloggen om nog meer van Tixi te downloaden. Zij is altijd klaar voor mij. Ik kopieer de foto’s naar mijn hard disk voor ik bij Francine mijn afgeleefde machine, in bed kruip.

Het eczeem aan mijn enkels jeukt nu van plezier, want den Dierickx zal kruipen voor mij, de aanval is de beste verdeging, dus ik zal hem eens vertellen in welke mate het hier mijn keel uithangt, hoezeer zijn gegoochel met mensen en middelen, zijn wanbeleid en wispelturigheid op mijn zenuwen werken en hoe hij mij godverdomme tot op het bot teleurstelt door nooit zijn beloften na te komen, hoe het mij tegenstaat dat ik omwille van enkele kogelgôaten in het kofferdeksel van een Passat opzij geschoven werd en dat ik het door en door beu ben als jaknikker te dienen louter en alleen omdat hij met zijn madam  en met zijn luie kloten vier keer per jaar aan het meer van Genève kan gaan liggen niksdoen. Ik zal hem dat allemaal eens voorschotelen zie, vanals hij de hoorn neerlegt duw ik het allemaal in zijn strot en hij zal slikken en knikken. Hij zal niet weten waar hij het heeft.

We wisten niet waar we het hadden. We lagen die zondagnacht op de loer bij de oude roeste caravan en zo rond twee uur ’s nachts, nadat ik al ettelijke uren naast Walter en zijn allesdoordringende lijfstank in de struiken had gelegen, hoorde ik plots geritsel. We zagen alleen haar silhouet, want er was geen gram licht in dat bos, een struise kat, zij had ons niet geroken, nochtans was Walters walm moeilijk te negeren en lagen we er maar een halve meter bij vandaan, maar ze begon te smekken en te smakken van die Whiskas en we lieten haar begaan, we oefenden geduld, zoals echte jagers. Toen ging alles vliegensvlug, ik stootte Walter aan, hij knipte zijn Maglite aan, ik sprong naar voor, bovenop dat beest en ik klemde mijn handen rond het lijf. In het bos weerklonken twee helse kreten. Het licht van de Maglite flitste door het gebladerte en kwam uiteindelijk tot stilstand op mijn gezicht zodat ik kon zien waarom ik in godsnaam als een gekeeld varken lag te krijsen.

“Mijnheer Vandewalle, ik zal maar Norbert zeggen, er zijn redenen genoeg om als directeur en afgevaardigd bestuurder van Outbound NV mijn beklag te doen over u.”

De klootzak geeft mij niet eens de kans om mijn bakkes open te trekken, hij zet mij direct schaak, maar ik zie dat zijn linkerhand trilt, hij is bang, bang voor mijn reactie, bang voor de wraak van de boekhouder.

“U weet ongetwijfeld dat wij dat van die kogelgaten in de Passat niet konden aanvaarden en u heeft daarvan de, laat ons zeggen, vrij milde, gevolgen gedragen. Wij, dat wil zeggen de raad van bestuur, hebben echter de indruk dat de situatie er niet op vooruit gaat.”

Zijn gezever gaat zeker een kwartier door en dat is lang voor een portie pure nonsens over prestatiegerichtheid, HR, teamspirit, communicatie, één grote familie … ondertussen verga ik van de jeuk aan mijn eczeemvlekken die wild tekeer gaan. Waarschijnlijk een allergische reactie op zijn preek.  Het is niet meer proper.

Wat Walter zag toen hij de halogeentoorts op mijn gezicht richtte was ook niet proper. Onder het lijden van vreselijke pijnen ben ik naar de wagen gestrompeld en in vliegende vaart is hij naar het algemeen ziekenhuis van Aalter gereden. Er was daar geen dokter van wacht, dus ik heb meer dan een uur liggen kermen in een ziekenhuisbed met naast mij een huilend kind en aan de andere kant een oude vent die doodrochels uitstootte. Niet te doen, een ware hel.

Tixi, die moet soms echt door de hel gaan voor mij, maar dat is haar lot en aan een voorbestemdheid ontkomt men niet. De pijn lijdt zij voor mij, omdat zij weet dat ik het hemels vind zo’n deftig meisje te zien lijden.

“Wij leven altijd ergens tussen hemel en hel, mijnheer Vandewalle, Norbert”, ik voelde dat Dierickx aan het eind van zijn speech kwam, “Ook op professioneel vlak is dat zo en daarom beloof ik u niks.”

Er werden met grote precisie en onder lokale verdoving twee keer acht hechtingen in mijn gezicht aangebracht om het geklauw van die kat te dichten. Veertien dagen na het hechten begon heel die zaak te ontsteken, dikke strepen etter op mijn wangen en voorhoofd en zweten van de koorts en gezwollen klieren, heel mijn lijf stond dik. Allemaal omdat dat geneeskundestudentje dat was komen opdraven de verkeerde inspuiting had toegediend. Het venijn zat in mijn lijf en natuurlijk trekken ze dan hun anitbioticawinkel open en ik maar slikken en slikken, rood-groene pilletjes, witte tabletten, blauw-grijze pillen waarop mijn ontregelde lichaam antwoordde met schrijnend eczeem.

Dat hij mij dan maar buitengooit, maar eerst zal ik hem nog eens goed de waarheid zeggen, hij kan zijn rotfirma in zijn gat steken.

“We hebben besloten Outbound NV te herstructureren, en voor u Norbert, zal dat ingrijpende gevolgen hebben.”

En waarvoor? Waarom laat ik op mijn kap zitten? Voor een loon van niks, waar nog minder van overblijft omdat ik nu met mijn eigen auto naar het werk moet komen en omdat ik zelf een computer heb moeten kopen en op mijn eigen kosten moet surfen.

“Eerlijk hé, mijnheer Dierickx, heel eerlijk, u betaalt mij nu toch geen stukken van mensen, als u dan ziet wat…”

“Laat het ons pragmatisch bekijken Norbert, we lassen een proefperiode in om te zien hoe het loopt en dan nog kunnen we verder over uw wensen praten. Uiteraard zullen we een financiële inspanning doen na die proefperiode, we geven u immers het vertrouwen van de firma en de verantwoordelijkheid over de communicatie naar buitenuit. U begrijpt dat dit niet niks is, en dat wij daar dan ook iets willen tegenoverstellen. Als u slaagt in uw opdracht als Communications Manager.”

Jeuk. Ondraaglijke jeuk. Ik moet krabben, het kan niet anders. Doen alsof ik mijn sokken optrek, even bukken en met mijn kin op zijn bureau ga ik lekker tekeer met mijn nagels over mijn enkels.

“De praktische zaken zijn al geregeld Vandewalle, uw kantoor is op de zesde verdieping, pc met internet, gsm en autosleutels liggen klaar. ‘k Zou zeggen veel succces ermee. Akkoord?”

Ik stop Dierickx mijn met teerzalf besmeurde hand toe die hij gewillig schudt, maar nog voor hij is bekomen van verbazing over zoveel zwarte smurrie aan zijn vingers, mompel ik iets van sorry en maak dat ik zijn bureau uitkom.

Klootzakken, dikke vette klootzakken, mij wegpromoveren naar Communicatie & P.R., een dienst die geen zak voorstelt, wat moet ik daar in godsnaam gaan doen, de klootzakken, in plaats van mij aan de deur te zetten, maar neen, ze willen geen ontslagpremie afdokken en dat van dat ruksurfen weten ze dus toch nog niet. Ze willen mij gewoon weg naar een andere dienst. En dan nog naar dezelfde verdieping als het management. Miljaar, rotfirma.

Miljaar, hier ga ik van profiteren, mooi kantoortje apart, een Audi in plaats van een Passat en kijk, de kans om meteen ordentelijk wraak te nemen. Nieuw verbandje rond mijn enkels en dubbelklik, het net op naar hotchicks, die promotie, zal ik even op gepaste wijze vieren door enkele nieuwe foto’s van mijn geliefde Tixi te downloaden, ik hoop dat ze grof zijn, ik wil ze zo vulgair mogelijk. Klik, klik, de wereld draait rond de ‘e’ et voila, connecting to site 143.254.768.139, ik ben zo meteen bij haar.

’t Is niet mogelijk, ’t is nondedju niet mogelijk. Software caused connection to abort.

 

 

© David Van Bambost

De vrouw, de boeren, de boekhouder en zijn maîtresse

Ik had het kristalheldere voorgevoel dat ik haar nooit meer zou terugzien. Ik voorvoelde het in elke vezel van mijn lijf en ik wist meteen dat ik haar erg zou missen. Ik wist het direct toen ik de e-mail van Rudi openklikte, van bij de eerste zin. Gewoon al de Rudi die mij een mail stuurde, wees op naderend onheil. Rudi, anders altijd joviaal, stuurde mij nu plots een mail. Ik wist dat hij dit louter deed om afstand te scheppen. Dat wist ik omdat ik ook wist dat hij allergisch was aan elektronische post. Dit was zijn e-mail:

From: Rudi Bijnens
Sent: dinsdag 5 mei 2010  10:18
To: Norbert Vandewalle
Subject: meeting 10u30

Norbert,
Kom om 10u30 even naar de kleine vergaderzaal. Bespreking met mij, Marc, mijnheer Dierickx en uzelf.
Mvg,
Rudi Bijnens
Senior Manager Finance & Accountancy

Deze e-mail maakte een eind aan mijn relatie met Valérie en in één beweging ook aan mijn carrière. Dat laatste kon mij geen barst schelen. De enige om wie ik geef, is Valérie. Zij hield mij in leven gedurende al die lange, saaie kantoordagen. Haar zal ik missen, ik weet nu al dat we elkaar nooit meer zullen terugzien, maar desondanks zal zij mijn lijf blijven beroeren, het bloed door mijn aderen laten stromen en de adrenaline doen stampen. Wat is liefde vraagt een mens zich soms af. Wel, dat zij met mij zal meegaan, dat is liefde.

Er verschijnt een melding van juffrouw Windows op mijn scherm. Er is een systeemfout opgetreden en het computerorganisme zal zichzelf genezen na een klik op het Esc.-vakje. Dat zou een mens moeten kunnen.

– Dokter, ik heb hier zo’n pijn.
– In het hoofd?
– Ja, in achteraan in mijn hoofd, net onder mijn hersenpan.
– Ik vrees dat het tijd is voor een reset mijnheer.
– Moet ik onder het mes dokter, moet u diep in mijn hersenen het defecte stukje wegsnijden of een ontbrekend stukje bijplaatsen?
– Natuurlijk niet, gewoon even aan uw linkeroor draaien en het zaakje is opgelost.

Weg gekheid, weg neuroses, weer de oude zijn. Ik zou er geld voor geven. Ik geef er ook geld voor. Handenvol geld. Ik durf niet eens uitrekenen welke fortuinen ik al uitgegeven heb aan medicijnen en neurologen. Maar ook al klik ik duizend keer op Esc., er gebeurt niks. Ondertussen is mijn Intellding waarschijnlijk geblokkeerd of stiekem een hele resem bestanden aan het wissen. Het zal wel aan mij liggen, aan het feit dat ik een complete computeridioot ben.Nu ja, maakt niks uit, straks sturen zij mij toch de laan uit en heb ik met dit ding niks meer te maken. Na hetgene waar ze mij op betrapt hebben, zal Esc. niet volstaan, vrees ik.

Nog zeven minuten tot de vergadering. Ga ik een laatste keer naar Valérie toe? Neen, dat zou het afscheid alleen maar moeilijker maken. Mijn hart bloedt bij het vooruitzicht haar te verliezen, ook al wist ik dat de scheiding elke dag op ons kon neerdalen. Ook al kwam de liefde vooral van mijn kant, het doet echt pijn. Daarom ga ik beter niet meer naar haar toe. Ik moet niet te masochistisch zijn, een mens heeft al genoeg te lijden. Waarom zouden we er zelf nog een schepje bovenop doen? Het is tijd. Op naar het tribunaal. Noteer dat dit niet eens in het bureau van directeur Dierickx plaatsgrijpt, maar wel in de kleine vergaderzaal. Zo belangrijk ben ik dus ook weer niet.

De inquisiteurs zitten klaar, netjes op een rij, om mij bij vooroordeel te veroordelen en de beul opdracht te geven zijn bijl te laten neerdalen op mijn toch wel vrij weerloze nek. Links zit laffe Rudi, naast hem Marc, onze Human Recources Director. Die man heeft een akelige kop waarvan ik moet kokhalzen. Zoals steeds kijkt hij alsof hij diep in gedachten is verzonken. Ik verdenk er hem van dat hij met zijn ogen open zit te slapen. Straks zal hij beslist met zijn doodgraversstem het verdict proclameren. Dan is er een lege stoel. Daarnaast, afzijdig, zit mijnheer Dierickx, afgevaardigd bestuurder. Hij werpt me een blik toe die moet zeggen dat hij hier niks mee te maken wil hebben. Tegelijkertijd weet ik dat hij gewoon te dom is om tegen Marc en Rudi in te gaan en dat hij hen bijna slaafs volgt in hun kruistocht tegen mij. Het enige wat hij denkt, is dat hij mij misschien ooit nog zal kunnen gebruiken en dat hij dus niet te hard tegen mijn kar moet rijden.

Eerst moet ik naar de preek luisteren die aan het vonnis voorafgaat. Net als bij broeder-directeur vroeger. Met dat verschil dat ik nu niet zal moeten meegaan naar broeder zijn kamertje om aan mijn lijf te laten friemelen.
Marc neemt het woord, al van bij het begin lijkt hij een dodenpreek af te steken.

– Norbert, ik wil duidelijk stellen dat we hier niet samen zijn om schuldigen aan te wijzen.
Rudi knikt.
– We moeten echter wel één en ander uitpraten. Er zijn mij en mijnheer Dierickx zaken ter ore gekomen die niet passen in het kader van onze bedrijfsfilosofie die zo eigen is voor onze onderneming.
Rudi is dus de rat, hij heeft mij verraden. Marc gaat verder.
– Ik ga niet in detail treden, maar er zijn zaken gebeurd waar wij wel degelijk rekening moeten mee houden en die niet door de beugel kunnen.
Ik begin moe te worden, hij is nog maar drie zinnen ver en ik val al bijna in slaap. Zijn sonore stem verveelt. Ik heb zin om te zeggen: waar jullie geen rekening mee houden, omdat jullie het niet kunnen weten, is dat het niet door de beugel kan dat mijn vrouw, mijn braaf vrouwtje, denkt dat iemand van negenenveertig het niet meer nodig heeft. Vooral dat ik vind dat dit niet door de beugel kan omdat ik pas op mijn veertigste ben opengebloeid. Tot dan gold alles als verboden, streng verboden. Is het dan verwonderlijk dat ik eens iets wil uitproberen als dat verbod wegvalt? Is er iemand die daar rekening wil mee houden?
Maar ik zwijg en ik laat Marc verder zijn epistel afdreunen. Ik schiet wakker uit mijn overpeinzingen door de stem van Dierickx die hem onderbreekt.
– Marc, excuseer dat ik u onderbreek, maar laten we tot de kern van de zaak komen. Norbert, hoe bent u naar kantoor gekomen deze ochtend?

De koppen van Marc en Rudi draaien in mijn richting als gieren die een karkas hebben ontdekt.
Ik dacht wel ongeveer te weten waar dit gesprek over zou gaan, maar deze vraag had ik niet verwacht. Waarschijnlijk is de verbazing van mijn gezicht af te lezen. Waarom begint hij niet direct over de computertoestanden?
– Met de trein.
Dierickx knikt en staart mij ijskoud aan.
– En een stukje te voet. vul ik aan.
– Waarom niet met de Passat die de firma u ter beschikking stelt? wil hij weten.
– Die is in de garage, binnen voor onderhoud.
– Waarom, Norbert, krijgen wij telefoon van de garage of daar een nieuw kofferdeksel op moet, op die Passat als die auto binnen is voor onderhoud?

Ik slaag erin mijn stem onder controle te houden zodat niks mijn zenuwachtigheid verraadt, maar de adrenaline raast door mijn lijf.
– Misschien omdat het kofferdeksel beschadigd is?
Mijn stem gaat toch even falsetto aan het einde van de zin.
– Beschadigd!
De Rudi buldert het over de tafel. Zijn kop is rood aangelopen, het speeksel spat uit zijn mondhoeken.
Er zitten KOGELgaten in het kofferdeksel van uwen Passat!!

Dat ze daar achtergekomen zijn. Die kleine klootzak van een garagist. Ik had hem gezegd dat ik het zelf zou bekostigen, dat het niet voor de firma is. En toch bellen, toch eens laten weten dat er kogelgaten in die koffer zitten. Ik doe hem iets aan, daar mag hij op rekenen. Nu, al bij al kan dit nog mijn redding zijn. Misschien moet ik het nu niet eens uitleggen van Valérie en zal ik haar dus toch niet verliezen. Het is verdomme toch ook mijn Francine haar schuld, het pokkewijf. Zij zal er ook van lusten. Altijd goed, altijd lief, maar mocht zij zich verdomme af en toe eens durven laten gaan, dan zou ik nu niet in nauwe schoentjes zitten. Zich eens goed laten gaan, gewoon binnen de vier muren van de kamer mag dat zijn voor mij. Niet op vreemde ongewone plaatsen, maar gewoon in ons bed. En ja, ik heb dat al eens vriendelijk gevraagd. En zij ging er niet op in. En ik heb het dan nog eens voorzichtig geprobeerd met het boekje The Ties that Bind erbij. En zij vond dat pervers. Het was verdomme alsof zij een afschuwelijk beest zag. En zij slingerde allerlei vuile beschimpingen naar mijn hoofd. En dan drie weken lang geen klank meer.

Ik begin aan mijn afleidingsmanoeuvre.
– Wel, mijnheer Dierickx, beste collega’s, die kogelgaten, zoals u die deuken in het kofferdeksel noemt, dat komt zo. Kent u misschien de Driessche Meersen, het natuurreservaat?
Er wordt instemmend geknikt. Alleen Rudi kijkt verveeld.
– Wel, in mijn vrije uren zet ik mij in voor dat reservaat. U ziet een boekhouder waarschijnlijk niet in lieslaarzen door de Driessche Meersen waden, maar toch trek ik er bijna elk weekend op uit met mijn collega natuurbeschermers van de Vrije Vogel om dat meersengebied in optima forma te houden.
Ze hangen niet bepaald aan mijn lippen, maar luisteren toch. Tegenwoordig is dat al veel.
– Wat wil het geval enkele weken terug?.

Wat wil het geval? Het geval wil dat ik, bij mijn eerste keer op internet, terwijl iedereen al maandenlang lustig van hot naar her surft, de merkwaardige site http://www.onanialovers.com vind. Maar dat is een andere zaak.

– Wel wij komen in de Driessche Meersen op de Malse Plaat waar je nog net kan staan bij rustig weer zonder dat het water in je laarzen sijpelt. En wat zien wij daar op het water drijven? Dode beesten. Dode eenden, dode kikkers, dode meeuwen. En nog veel erger, voor we het weten staan we tussen de karkassen van wel zeker vijftien paarden. Boerenpaarden, de laatste boerenpaarden van de streek.

Rudi fronst zijn wenkbrauwen, Marc kijkt mij aan alsof ik van Mars kom en Dierickx staart mij gefascineerd aan. Deze mannen denken waarschijnlijk dat ik psychisch gestoord ben. Let wel, dat is een bedenking die ik mij achteraf heb gemaakt. Die gedachte kwam op dat ogenblik niet bij mij op. Maar dat is nu eenmaal zo, een mens kan zijn gedrag en het effect van dat gedrag op anderen pas na de feiten inschatten, bij het achterom kijken naar wat gebeurd is.

– Wij zien die paarden die anders lustig over de weiden van de Driesche Meersen draven, liggen met opgeblazen buiken. Op hun zij. In het water. Hallucinant. En toen werden wij ook de stank gewaar. De stank van chinoleenzuur. Kent u dat? Eeuwig Gift noemen de mensen dat, kankerverwekkend en in hoge doses onmiddellijk dodelijk. Nu, mij moesten ze daar geen tekeningtje bij maken. Mij was het direct duidelijk. Wie gebruikt er Chinoleenzuur?

Ik laat de vraag even tussen ons hangen. De drie aan de overkant kijken mij aan alsof ik hen een groot geheim ga verklappen, liefst nog zouden ze uit mijn mond het paswoord van hun eigen computer horen, de lettercode van hun persoonlijke kluis. Zo gespannen kijken ze mij aan.

– Landbouwers. Vroeger, nu niet meer. Het is nu verboden, maar vroeger mocht het volop gebruikt worden, ook al ging de natuur naar de knoppen. Want zo was dat vroeger; hoe slechter voor het milieu hoe beter voor de boer.

Terwijl ik mijn betoog afsteek, merk ik dat er ergens in mijn achterhoofd iets naar de oppervlakte borrelt. Een schuldgevoel. Het wordt mij stilaan duidelijk dat ik niet zomaar in de beklaagdenbank zit. Dat ik mij wel degelijk schuldig heb gemaakt aan wangedrag, aan diefstal. En achteraf, wederom achteraf, heb ik mij dikwijls afgevraagd waarom ik mij schuldig begon te voelen. Het antwoord moet niet ver worden gezocht. Al heel mijn leven reist het schuldgevoel met mij mee. Waarom voel ik mij schuldig? Omdat dit jongetje stout is geweest. En net als bij de broeders vroeger verdient dit jongetje straf. Les één op de broederschool: niet stelen. En een auto van de firma vol gaatjes laten schieten, dat is stelen. En naar Valérie gaan, dat is ook stelen. Omdat ik het tijdens de werkuren doe, is dat tijd en elektriciteit stelen van de baas. En dan is er nog dat andere schuldgevoel omwillen van het klikken op de kleine foto’s van de vrouwen die dan levensgroot op mijn scherm verschenen en die mij met afschuw vervulden omwille van wat zij tentoonspreidden, omwille van de drang die zij in mij opwekten. Tussen al dat afstotelijks vond ik mijn Valérie. Zij liet het schuldgevoel verdwijnen, zij zette het om in liefde, door naar haar te kijken, haar te bewonderen, veranderde de lust in liefde. Want zo gaat dat, om het goede te ontdekken, moet een mens eerst het slechte doorstaan.

– Ik wil hier de landbouwers geen steen werpen, maar u moet toch weten dat het vooral de landbouwers zijn die het natuurgebied liefst zouden zien verdwijnen.

– Maar, Norbert…

Onze Rudi gaat ook iets zeggen, kijk, kijk, onze lafaard doet zijn mond open.

– … is het u niet duidelijk dat het in deze vergadering niet om de relatie Norbert – Driesche Meersen gaat, maar wel over de Norbert versus Outbound NV, en vooral over een kofferdeksel van een Passat dat vol gaten zit, laten we ons daarop toespitsen.

Ik moet mij beheersen. Hij heeft zich altijd als een kameraad voorgedaan. Nu blijkt hij een overloper, een afvallige. Ik krijg hem nog wel. Later.

– Wel, Rudi, Marc, mijnheer Dierickx, het zijn net de Driessche Meersen die mij bij de gaten in dat kofferdeksel brengen. Dus we blijven terzake, nietwaar Rudi? Mijn colleganatuurbeschermer, Willem en ikzelf staan daar dus te kijken naar die dode drijvende dieren, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door vergiftiging met Chinoleenzuur zijn gestorven. We besluiten langs te gaan bij de landbouwers in de buurt om te zien of één van hen er iets met te maken heeft.
We stappen zo’n erf op en spreken die man aan. Hij staat net aan zijn tractor te sleutelen. Hij ontkent dat hij er iets mee te maken heeft. Maar ik zie aan zijn gezicht dat hij schuldig is. Ik heb die gave om te zien of iemand liegt of niet, dat zit in mij. Dus ik blijf aandringen, dat hij er meer van weet, dat hij nog Chinoleenzuur in zijn stallen heeft staan en dat hij mee schuldig is voor het vergiftigen van die beesten. Dat pikt hij niet. Hij komt op mij af met een grote Engelse sleutel in zijn hand. En met een rode kop briest hij dat ik een vuile luigenaar ben, dat ik een smerig groen ventje ben. Doordat hij zo op mij afkomt en mij uitscheldt voor rotte vis, word ik nu toch agressief. Terwijl ik van nature niet agressief ben.

Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Ik ben van nature niet agressief, ik was een braaf kind, maar na al die tijd bij de paters, na bijna elke dag een veeg tegen mijn oren, na de lat en zelfs de karwats. Het is onbegrijpelijk hoe die vernederingen onder een mens zijn vel kruipen. Ik heb ze opgekropt en ze komen er nu uit als mijn systeem overbelast geraakt. Misschien daarom dat ik Valérie zo mooi vind, omdat zij zo lekker onderdanig is, omdat zij zo prachtig kan knielen met gebogen hoofd, haar lange haren over haar lichaam gedrapeerd, wachtend op de straf die zij krijgen zal, of hulpeloos vastgebonden in een deuropening, volledig bereikbaar en bespeelbaar, helemaal opengerokken en haar fiere borsten, met harde tepels waar knijpers aanhangen en elk spiertje van haar lichaam gespannen in anticipatie met de zweep die op haar tere huid zal neerkomen. Ook al kan ik de slagen niet zien, ik weet het, want ik bedien de zweep en ik straf haar voor alles wat zij heeft misdaan, of niet heeft misdaan, want zij moet lijden. Zij moet het lijden doorstaan net zoals ik mijn lijden heb moeten doorstaan. Ik zal slaan tot zij schreeuwt van de pijn, huilt van de pijn, de pijn die ik haar toedien.

– Ik stap op dat boerke toe en geef hem twee klappen in zijn gezicht. Slechts twee klappen waren nodig om hem perplex achter te laten. Hij veroerde geen vin meer.

De genoegdoening van eens iemand in het echt te overheersen. Eindelijk niet degene die de klappen ontvangt, maar ze uitdeelt. Wat gaf dat een goed gevoel.

– We stapten terug in de Passat en ik rijd dat erf af. Maar wat we niet hadden gezien, is dat die boer ondertussen naar binnen was gegaan. Plots zie ik hem in de achteruitkijkspiegel uit een stal komen met zijn tweeloop. En de rest is geschiedenis. Het waren trouwens hagelbolletjes en geen echte kogels, anders zat ik hier waarschijnlijk niet meer.

Stilte. Je kan een speld horen vallen. De heren hun processor draait, intel inside. Er is nu een verklaring voor die auto. Ze weten ook wel dat ze mij er niet kunnen op pakken. Het was een ongeluk, zeg maar. Dus nu zullen ze van strategie veranderen en overgaan op het gedoe met internet. Nu gaan ze mij mijn verboden schat afnemen. Nu is het gedaan en dat gaat recht naar mijn hart. Uren heb ik doorgebracht bij Valérie. Overgewerkt heb ik om ongestoord bij Valérie te kunnen zijn. Gewoon naar haar kijken was genoeg. En af en toe mijn lusten botvieren, met mijzelf, op de wc. Ik kreeg een vermoeden dat ik betrapt was toen die jonge gast van informatica eens zat op te scheppen dat hij met zijn serverbeheersysteem, God mag weten op welke manier,  kan zien wie naar welke sites surft en dat hij – zo voegde hij er lachend aan toe – daar héél interessante informatie kon uithalen, dat hij zijn collega’s zo heel goed leerde kennen. Die snotneus zijn opmerking heeft mij echter niet tegengehouden om Valérie te bezoeken, het maakte alles alleen maar spannender. Ik ben ook verslaafd geraakt aan haar. Zij heeft de problemen met mijn madam thuis opgelost. Sinds Valérie gaan wij elke avond gezellig slapen, knus naast elkaar. Van enig aandringen is er geen sprake meer. Na een hele dag met Valérie heb ik geen zin meer in spelletjes. Ik gelukkig met mijn cyberpoes, mijn vrouwke gelukkig met mij.

– Mijnheer Vandewalle, laat ons ernstig blijven.
De oppermeester spreekt.
– Mijnheer Vandewalle, u begrijpt, wij beschuldigen u nergens van en wij brengen begrip op voor uw situatie als natuurwerker, maar dat op dergelijke manier eigendom van deze onderneming beschadigd raakt, schept een gevaarlijk precedent. Wij zien ons dan ook genoodzaakt om maatregelen te treffen. Wij moeten een voorbeeld stellen voor de collega’s. Wij hebben besloten drie privileges in te trekken die u de afgelopen jaren verdiende. Overhandigt u ons uw autosleutels, uw GSM en wij zullen zelf uw internetaansluiting deactiveren.

Nu ben ik met verstomming geslagen. Het is verdomme gewoon die stomme Passat waar ze om malen. Over mijn Valérie geen woord. Ze zijn er niet eens achter gekomen. Daar zijn ze blijkbaar toch te stom voor. Of die van informatica heeft zijn mond gehouden. Dan moet ik die toch eens een pint trakteren.
Valérie, mijn lief, vastgesnoerd engeltje ben ik voorlopig wel kwijt. Geen internet meer voor dit boekhoudertje. Ze denken dat ze mij daarmee straffen, maar ik zal ze natuurlijk weer te slim af zijn. Ik koop een pc voor thuis, met alles erop en eraan, internet inbegrepen. Dat kost wel al gauw redelijk wat centen. Toch ga ik het doen, al was het maar om de goede vrede met mijn liefste vrouwtje te bewaren. En als ze hier toch zo op mijn kap zitten. Als ze er hier voor kiezen om mij als een kleuter te behandelen, dan ben ik weg, computer uit en naar huis.

U kunt het systeem nu veilig uitschakelen. Dag Valérie. CU SOON.

© David Van Bambost

Eenzaam

Wat ben je eenzaam
wat ben je eenzaam
ook al is het warm in je bed
en krijg je liefde in inkt
wat je werkelijk wilt
is iemand als je praat
en iemand als je drinkt

Kijk ik heb flessen genoeg
dus laat mij drinken met jou
Kijk ik heb woorden genoeg
dus laat mij praten met jou
Kijk ik heb liefde genoeg
dus laat mij houden van jou
Ja ik heb liefde teveel
en ik wil houden van jou

Wat ben je eenzaam
wat ben je eenzaam
ook al is het warm in je hart
toch blijft het koud om je heen
wat je werkelijk voelt
is niemand als je praat
en niemand als je drinkt

Kijk ik heb flessen genoeg
dus laat mij drinken met jou
Kijk ik heb woorden genoeg
dus laat mij praten met jou
Kijk ik heb liefde genoeg
dus laat mij houden van jou
Ja ik heb liefde teveel
en ik wil houden van jou

Wat ben je eenzaam
wat ben je eenzaam
ook al ben je altijd aan het woord
en duren je zinnen voort
wat je werkelijk hoort
is niemand als je praat
en niemand als je drinkt

Kijk ik heb flessen genoeg
dus laat mij drinken met jou
Kijk ik heb woorden genoeg
dus laat mij praten met jou
Kijk ik heb liefde genoeg
dus laat mij houden van jou
Ja ik heb liefde teveel
en ik wil houden van jou

© David Van Bambost/Sabam
Op muziek gezet en opgenomen door Café Noir