De vrouw, de boeren, de boekhouder en zijn maîtresse

Ik had het kristalheldere voorgevoel dat ik haar nooit meer zou terugzien. Ik voorvoelde het in elke vezel van mijn lijf en ik wist meteen dat ik haar erg zou missen. Ik wist het direct toen ik de e-mail van Rudi openklikte, van bij de eerste zin. Gewoon al de Rudi die mij een mail stuurde, wees op naderend onheil. Rudi, anders altijd joviaal, stuurde mij nu plots een mail. Ik wist dat hij dit louter deed om afstand te scheppen. Dat wist ik omdat ik ook wist dat hij allergisch was aan elektronische post. Dit was zijn e-mail:

From: Rudi Bijnens
Sent: dinsdag 5 mei 2010  10:18
To: Norbert Vandewalle
Subject: meeting 10u30

Norbert,
Kom om 10u30 even naar de kleine vergaderzaal. Bespreking met mij, Marc, mijnheer Dierickx en uzelf.
Mvg,
Rudi Bijnens
Senior Manager Finance & Accountancy

Deze e-mail maakte een eind aan mijn relatie met Valérie en in één beweging ook aan mijn carrière. Dat laatste kon mij geen barst schelen. De enige om wie ik geef, is Valérie. Zij hield mij in leven gedurende al die lange, saaie kantoordagen. Haar zal ik missen, ik weet nu al dat we elkaar nooit meer zullen terugzien, maar desondanks zal zij mijn lijf blijven beroeren, het bloed door mijn aderen laten stromen en de adrenaline doen stampen. Wat is liefde vraagt een mens zich soms af. Wel, dat zij met mij zal meegaan, dat is liefde.

Er verschijnt een melding van juffrouw Windows op mijn scherm. Er is een systeemfout opgetreden en het computerorganisme zal zichzelf genezen na een klik op het Esc.-vakje. Dat zou een mens moeten kunnen.

– Dokter, ik heb hier zo’n pijn.
– In het hoofd?
– Ja, in achteraan in mijn hoofd, net onder mijn hersenpan.
– Ik vrees dat het tijd is voor een reset mijnheer.
– Moet ik onder het mes dokter, moet u diep in mijn hersenen het defecte stukje wegsnijden of een ontbrekend stukje bijplaatsen?
– Natuurlijk niet, gewoon even aan uw linkeroor draaien en het zaakje is opgelost.

Weg gekheid, weg neuroses, weer de oude zijn. Ik zou er geld voor geven. Ik geef er ook geld voor. Handenvol geld. Ik durf niet eens uitrekenen welke fortuinen ik al uitgegeven heb aan medicijnen en neurologen. Maar ook al klik ik duizend keer op Esc., er gebeurt niks. Ondertussen is mijn Intellding waarschijnlijk geblokkeerd of stiekem een hele resem bestanden aan het wissen. Het zal wel aan mij liggen, aan het feit dat ik een complete computeridioot ben.Nu ja, maakt niks uit, straks sturen zij mij toch de laan uit en heb ik met dit ding niks meer te maken. Na hetgene waar ze mij op betrapt hebben, zal Esc. niet volstaan, vrees ik.

Nog zeven minuten tot de vergadering. Ga ik een laatste keer naar Valérie toe? Neen, dat zou het afscheid alleen maar moeilijker maken. Mijn hart bloedt bij het vooruitzicht haar te verliezen, ook al wist ik dat de scheiding elke dag op ons kon neerdalen. Ook al kwam de liefde vooral van mijn kant, het doet echt pijn. Daarom ga ik beter niet meer naar haar toe. Ik moet niet te masochistisch zijn, een mens heeft al genoeg te lijden. Waarom zouden we er zelf nog een schepje bovenop doen? Het is tijd. Op naar het tribunaal. Noteer dat dit niet eens in het bureau van directeur Dierickx plaatsgrijpt, maar wel in de kleine vergaderzaal. Zo belangrijk ben ik dus ook weer niet.

De inquisiteurs zitten klaar, netjes op een rij, om mij bij vooroordeel te veroordelen en de beul opdracht te geven zijn bijl te laten neerdalen op mijn toch wel vrij weerloze nek. Links zit laffe Rudi, naast hem Marc, onze Human Recources Director. Die man heeft een akelige kop waarvan ik moet kokhalzen. Zoals steeds kijkt hij alsof hij diep in gedachten is verzonken. Ik verdenk er hem van dat hij met zijn ogen open zit te slapen. Straks zal hij beslist met zijn doodgraversstem het verdict proclameren. Dan is er een lege stoel. Daarnaast, afzijdig, zit mijnheer Dierickx, afgevaardigd bestuurder. Hij werpt me een blik toe die moet zeggen dat hij hier niks mee te maken wil hebben. Tegelijkertijd weet ik dat hij gewoon te dom is om tegen Marc en Rudi in te gaan en dat hij hen bijna slaafs volgt in hun kruistocht tegen mij. Het enige wat hij denkt, is dat hij mij misschien ooit nog zal kunnen gebruiken en dat hij dus niet te hard tegen mijn kar moet rijden.

Eerst moet ik naar de preek luisteren die aan het vonnis voorafgaat. Net als bij broeder-directeur vroeger. Met dat verschil dat ik nu niet zal moeten meegaan naar broeder zijn kamertje om aan mijn lijf te laten friemelen.
Marc neemt het woord, al van bij het begin lijkt hij een dodenpreek af te steken.

– Norbert, ik wil duidelijk stellen dat we hier niet samen zijn om schuldigen aan te wijzen.
Rudi knikt.
– We moeten echter wel één en ander uitpraten. Er zijn mij en mijnheer Dierickx zaken ter ore gekomen die niet passen in het kader van onze bedrijfsfilosofie die zo eigen is voor onze onderneming.
Rudi is dus de rat, hij heeft mij verraden. Marc gaat verder.
– Ik ga niet in detail treden, maar er zijn zaken gebeurd waar wij wel degelijk rekening moeten mee houden en die niet door de beugel kunnen.
Ik begin moe te worden, hij is nog maar drie zinnen ver en ik val al bijna in slaap. Zijn sonore stem verveelt. Ik heb zin om te zeggen: waar jullie geen rekening mee houden, omdat jullie het niet kunnen weten, is dat het niet door de beugel kan dat mijn vrouw, mijn braaf vrouwtje, denkt dat iemand van negenenveertig het niet meer nodig heeft. Vooral dat ik vind dat dit niet door de beugel kan omdat ik pas op mijn veertigste ben opengebloeid. Tot dan gold alles als verboden, streng verboden. Is het dan verwonderlijk dat ik eens iets wil uitproberen als dat verbod wegvalt? Is er iemand die daar rekening wil mee houden?
Maar ik zwijg en ik laat Marc verder zijn epistel afdreunen. Ik schiet wakker uit mijn overpeinzingen door de stem van Dierickx die hem onderbreekt.
– Marc, excuseer dat ik u onderbreek, maar laten we tot de kern van de zaak komen. Norbert, hoe bent u naar kantoor gekomen deze ochtend?

De koppen van Marc en Rudi draaien in mijn richting als gieren die een karkas hebben ontdekt.
Ik dacht wel ongeveer te weten waar dit gesprek over zou gaan, maar deze vraag had ik niet verwacht. Waarschijnlijk is de verbazing van mijn gezicht af te lezen. Waarom begint hij niet direct over de computertoestanden?
– Met de trein.
Dierickx knikt en staart mij ijskoud aan.
– En een stukje te voet. vul ik aan.
– Waarom niet met de Passat die de firma u ter beschikking stelt? wil hij weten.
– Die is in de garage, binnen voor onderhoud.
– Waarom, Norbert, krijgen wij telefoon van de garage of daar een nieuw kofferdeksel op moet, op die Passat als die auto binnen is voor onderhoud?

Ik slaag erin mijn stem onder controle te houden zodat niks mijn zenuwachtigheid verraadt, maar de adrenaline raast door mijn lijf.
– Misschien omdat het kofferdeksel beschadigd is?
Mijn stem gaat toch even falsetto aan het einde van de zin.
– Beschadigd!
De Rudi buldert het over de tafel. Zijn kop is rood aangelopen, het speeksel spat uit zijn mondhoeken.
Er zitten KOGELgaten in het kofferdeksel van uwen Passat!!

Dat ze daar achtergekomen zijn. Die kleine klootzak van een garagist. Ik had hem gezegd dat ik het zelf zou bekostigen, dat het niet voor de firma is. En toch bellen, toch eens laten weten dat er kogelgaten in die koffer zitten. Ik doe hem iets aan, daar mag hij op rekenen. Nu, al bij al kan dit nog mijn redding zijn. Misschien moet ik het nu niet eens uitleggen van Valérie en zal ik haar dus toch niet verliezen. Het is verdomme toch ook mijn Francine haar schuld, het pokkewijf. Zij zal er ook van lusten. Altijd goed, altijd lief, maar mocht zij zich verdomme af en toe eens durven laten gaan, dan zou ik nu niet in nauwe schoentjes zitten. Zich eens goed laten gaan, gewoon binnen de vier muren van de kamer mag dat zijn voor mij. Niet op vreemde ongewone plaatsen, maar gewoon in ons bed. En ja, ik heb dat al eens vriendelijk gevraagd. En zij ging er niet op in. En ik heb het dan nog eens voorzichtig geprobeerd met het boekje The Ties that Bind erbij. En zij vond dat pervers. Het was verdomme alsof zij een afschuwelijk beest zag. En zij slingerde allerlei vuile beschimpingen naar mijn hoofd. En dan drie weken lang geen klank meer.

Ik begin aan mijn afleidingsmanoeuvre.
– Wel, mijnheer Dierickx, beste collega’s, die kogelgaten, zoals u die deuken in het kofferdeksel noemt, dat komt zo. Kent u misschien de Driessche Meersen, het natuurreservaat?
Er wordt instemmend geknikt. Alleen Rudi kijkt verveeld.
– Wel, in mijn vrije uren zet ik mij in voor dat reservaat. U ziet een boekhouder waarschijnlijk niet in lieslaarzen door de Driessche Meersen waden, maar toch trek ik er bijna elk weekend op uit met mijn collega natuurbeschermers van de Vrije Vogel om dat meersengebied in optima forma te houden.
Ze hangen niet bepaald aan mijn lippen, maar luisteren toch. Tegenwoordig is dat al veel.
– Wat wil het geval enkele weken terug?.

Wat wil het geval? Het geval wil dat ik, bij mijn eerste keer op internet, terwijl iedereen al maandenlang lustig van hot naar her surft, de merkwaardige site http://www.onanialovers.com vind. Maar dat is een andere zaak.

– Wel wij komen in de Driessche Meersen op de Malse Plaat waar je nog net kan staan bij rustig weer zonder dat het water in je laarzen sijpelt. En wat zien wij daar op het water drijven? Dode beesten. Dode eenden, dode kikkers, dode meeuwen. En nog veel erger, voor we het weten staan we tussen de karkassen van wel zeker vijftien paarden. Boerenpaarden, de laatste boerenpaarden van de streek.

Rudi fronst zijn wenkbrauwen, Marc kijkt mij aan alsof ik van Mars kom en Dierickx staart mij gefascineerd aan. Deze mannen denken waarschijnlijk dat ik psychisch gestoord ben. Let wel, dat is een bedenking die ik mij achteraf heb gemaakt. Die gedachte kwam op dat ogenblik niet bij mij op. Maar dat is nu eenmaal zo, een mens kan zijn gedrag en het effect van dat gedrag op anderen pas na de feiten inschatten, bij het achterom kijken naar wat gebeurd is.

– Wij zien die paarden die anders lustig over de weiden van de Driesche Meersen draven, liggen met opgeblazen buiken. Op hun zij. In het water. Hallucinant. En toen werden wij ook de stank gewaar. De stank van chinoleenzuur. Kent u dat? Eeuwig Gift noemen de mensen dat, kankerverwekkend en in hoge doses onmiddellijk dodelijk. Nu, mij moesten ze daar geen tekeningtje bij maken. Mij was het direct duidelijk. Wie gebruikt er Chinoleenzuur?

Ik laat de vraag even tussen ons hangen. De drie aan de overkant kijken mij aan alsof ik hen een groot geheim ga verklappen, liefst nog zouden ze uit mijn mond het paswoord van hun eigen computer horen, de lettercode van hun persoonlijke kluis. Zo gespannen kijken ze mij aan.

– Landbouwers. Vroeger, nu niet meer. Het is nu verboden, maar vroeger mocht het volop gebruikt worden, ook al ging de natuur naar de knoppen. Want zo was dat vroeger; hoe slechter voor het milieu hoe beter voor de boer.

Terwijl ik mijn betoog afsteek, merk ik dat er ergens in mijn achterhoofd iets naar de oppervlakte borrelt. Een schuldgevoel. Het wordt mij stilaan duidelijk dat ik niet zomaar in de beklaagdenbank zit. Dat ik mij wel degelijk schuldig heb gemaakt aan wangedrag, aan diefstal. En achteraf, wederom achteraf, heb ik mij dikwijls afgevraagd waarom ik mij schuldig begon te voelen. Het antwoord moet niet ver worden gezocht. Al heel mijn leven reist het schuldgevoel met mij mee. Waarom voel ik mij schuldig? Omdat dit jongetje stout is geweest. En net als bij de broeders vroeger verdient dit jongetje straf. Les één op de broederschool: niet stelen. En een auto van de firma vol gaatjes laten schieten, dat is stelen. En naar Valérie gaan, dat is ook stelen. Omdat ik het tijdens de werkuren doe, is dat tijd en elektriciteit stelen van de baas. En dan is er nog dat andere schuldgevoel omwillen van het klikken op de kleine foto’s van de vrouwen die dan levensgroot op mijn scherm verschenen en die mij met afschuw vervulden omwille van wat zij tentoonspreidden, omwille van de drang die zij in mij opwekten. Tussen al dat afstotelijks vond ik mijn Valérie. Zij liet het schuldgevoel verdwijnen, zij zette het om in liefde, door naar haar te kijken, haar te bewonderen, veranderde de lust in liefde. Want zo gaat dat, om het goede te ontdekken, moet een mens eerst het slechte doorstaan.

– Ik wil hier de landbouwers geen steen werpen, maar u moet toch weten dat het vooral de landbouwers zijn die het natuurgebied liefst zouden zien verdwijnen.

– Maar, Norbert…

Onze Rudi gaat ook iets zeggen, kijk, kijk, onze lafaard doet zijn mond open.

– … is het u niet duidelijk dat het in deze vergadering niet om de relatie Norbert – Driesche Meersen gaat, maar wel over de Norbert versus Outbound NV, en vooral over een kofferdeksel van een Passat dat vol gaten zit, laten we ons daarop toespitsen.

Ik moet mij beheersen. Hij heeft zich altijd als een kameraad voorgedaan. Nu blijkt hij een overloper, een afvallige. Ik krijg hem nog wel. Later.

– Wel, Rudi, Marc, mijnheer Dierickx, het zijn net de Driessche Meersen die mij bij de gaten in dat kofferdeksel brengen. Dus we blijven terzake, nietwaar Rudi? Mijn colleganatuurbeschermer, Willem en ikzelf staan daar dus te kijken naar die dode drijvende dieren, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door vergiftiging met Chinoleenzuur zijn gestorven. We besluiten langs te gaan bij de landbouwers in de buurt om te zien of één van hen er iets met te maken heeft.
We stappen zo’n erf op en spreken die man aan. Hij staat net aan zijn tractor te sleutelen. Hij ontkent dat hij er iets mee te maken heeft. Maar ik zie aan zijn gezicht dat hij schuldig is. Ik heb die gave om te zien of iemand liegt of niet, dat zit in mij. Dus ik blijf aandringen, dat hij er meer van weet, dat hij nog Chinoleenzuur in zijn stallen heeft staan en dat hij mee schuldig is voor het vergiftigen van die beesten. Dat pikt hij niet. Hij komt op mij af met een grote Engelse sleutel in zijn hand. En met een rode kop briest hij dat ik een vuile luigenaar ben, dat ik een smerig groen ventje ben. Doordat hij zo op mij afkomt en mij uitscheldt voor rotte vis, word ik nu toch agressief. Terwijl ik van nature niet agressief ben.

Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Ik ben van nature niet agressief, ik was een braaf kind, maar na al die tijd bij de paters, na bijna elke dag een veeg tegen mijn oren, na de lat en zelfs de karwats. Het is onbegrijpelijk hoe die vernederingen onder een mens zijn vel kruipen. Ik heb ze opgekropt en ze komen er nu uit als mijn systeem overbelast geraakt. Misschien daarom dat ik Valérie zo mooi vind, omdat zij zo lekker onderdanig is, omdat zij zo prachtig kan knielen met gebogen hoofd, haar lange haren over haar lichaam gedrapeerd, wachtend op de straf die zij krijgen zal, of hulpeloos vastgebonden in een deuropening, volledig bereikbaar en bespeelbaar, helemaal opengerokken en haar fiere borsten, met harde tepels waar knijpers aanhangen en elk spiertje van haar lichaam gespannen in anticipatie met de zweep die op haar tere huid zal neerkomen. Ook al kan ik de slagen niet zien, ik weet het, want ik bedien de zweep en ik straf haar voor alles wat zij heeft misdaan, of niet heeft misdaan, want zij moet lijden. Zij moet het lijden doorstaan net zoals ik mijn lijden heb moeten doorstaan. Ik zal slaan tot zij schreeuwt van de pijn, huilt van de pijn, de pijn die ik haar toedien.

– Ik stap op dat boerke toe en geef hem twee klappen in zijn gezicht. Slechts twee klappen waren nodig om hem perplex achter te laten. Hij veroerde geen vin meer.

De genoegdoening van eens iemand in het echt te overheersen. Eindelijk niet degene die de klappen ontvangt, maar ze uitdeelt. Wat gaf dat een goed gevoel.

– We stapten terug in de Passat en ik rijd dat erf af. Maar wat we niet hadden gezien, is dat die boer ondertussen naar binnen was gegaan. Plots zie ik hem in de achteruitkijkspiegel uit een stal komen met zijn tweeloop. En de rest is geschiedenis. Het waren trouwens hagelbolletjes en geen echte kogels, anders zat ik hier waarschijnlijk niet meer.

Stilte. Je kan een speld horen vallen. De heren hun processor draait, intel inside. Er is nu een verklaring voor die auto. Ze weten ook wel dat ze mij er niet kunnen op pakken. Het was een ongeluk, zeg maar. Dus nu zullen ze van strategie veranderen en overgaan op het gedoe met internet. Nu gaan ze mij mijn verboden schat afnemen. Nu is het gedaan en dat gaat recht naar mijn hart. Uren heb ik doorgebracht bij Valérie. Overgewerkt heb ik om ongestoord bij Valérie te kunnen zijn. Gewoon naar haar kijken was genoeg. En af en toe mijn lusten botvieren, met mijzelf, op de wc. Ik kreeg een vermoeden dat ik betrapt was toen die jonge gast van informatica eens zat op te scheppen dat hij met zijn serverbeheersysteem, God mag weten op welke manier,  kan zien wie naar welke sites surft en dat hij – zo voegde hij er lachend aan toe – daar héél interessante informatie kon uithalen, dat hij zijn collega’s zo heel goed leerde kennen. Die snotneus zijn opmerking heeft mij echter niet tegengehouden om Valérie te bezoeken, het maakte alles alleen maar spannender. Ik ben ook verslaafd geraakt aan haar. Zij heeft de problemen met mijn madam thuis opgelost. Sinds Valérie gaan wij elke avond gezellig slapen, knus naast elkaar. Van enig aandringen is er geen sprake meer. Na een hele dag met Valérie heb ik geen zin meer in spelletjes. Ik gelukkig met mijn cyberpoes, mijn vrouwke gelukkig met mij.

– Mijnheer Vandewalle, laat ons ernstig blijven.
De oppermeester spreekt.
– Mijnheer Vandewalle, u begrijpt, wij beschuldigen u nergens van en wij brengen begrip op voor uw situatie als natuurwerker, maar dat op dergelijke manier eigendom van deze onderneming beschadigd raakt, schept een gevaarlijk precedent. Wij zien ons dan ook genoodzaakt om maatregelen te treffen. Wij moeten een voorbeeld stellen voor de collega’s. Wij hebben besloten drie privileges in te trekken die u de afgelopen jaren verdiende. Overhandigt u ons uw autosleutels, uw GSM en wij zullen zelf uw internetaansluiting deactiveren.

Nu ben ik met verstomming geslagen. Het is verdomme gewoon die stomme Passat waar ze om malen. Over mijn Valérie geen woord. Ze zijn er niet eens achter gekomen. Daar zijn ze blijkbaar toch te stom voor. Of die van informatica heeft zijn mond gehouden. Dan moet ik die toch eens een pint trakteren.
Valérie, mijn lief, vastgesnoerd engeltje ben ik voorlopig wel kwijt. Geen internet meer voor dit boekhoudertje. Ze denken dat ze mij daarmee straffen, maar ik zal ze natuurlijk weer te slim af zijn. Ik koop een pc voor thuis, met alles erop en eraan, internet inbegrepen. Dat kost wel al gauw redelijk wat centen. Toch ga ik het doen, al was het maar om de goede vrede met mijn liefste vrouwtje te bewaren. En als ze hier toch zo op mijn kap zitten. Als ze er hier voor kiezen om mij als een kleuter te behandelen, dan ben ik weg, computer uit en naar huis.

U kunt het systeem nu veilig uitschakelen. Dag Valérie. CU SOON.

© David Van Bambost

Eenzaam

Wat ben je eenzaam
wat ben je eenzaam
ook al is het warm in je bed
en krijg je liefde in inkt
wat je werkelijk wilt
is iemand als je praat
en iemand als je drinkt

Kijk ik heb flessen genoeg
dus laat mij drinken met jou
Kijk ik heb woorden genoeg
dus laat mij praten met jou
Kijk ik heb liefde genoeg
dus laat mij houden van jou
Ja ik heb liefde teveel
en ik wil houden van jou

Wat ben je eenzaam
wat ben je eenzaam
ook al is het warm in je hart
toch blijft het koud om je heen
wat je werkelijk voelt
is niemand als je praat
en niemand als je drinkt

Kijk ik heb flessen genoeg
dus laat mij drinken met jou
Kijk ik heb woorden genoeg
dus laat mij praten met jou
Kijk ik heb liefde genoeg
dus laat mij houden van jou
Ja ik heb liefde teveel
en ik wil houden van jou

Wat ben je eenzaam
wat ben je eenzaam
ook al ben je altijd aan het woord
en duren je zinnen voort
wat je werkelijk hoort
is niemand als je praat
en niemand als je drinkt

Kijk ik heb flessen genoeg
dus laat mij drinken met jou
Kijk ik heb woorden genoeg
dus laat mij praten met jou
Kijk ik heb liefde genoeg
dus laat mij houden van jou
Ja ik heb liefde teveel
en ik wil houden van jou

© David Van Bambost/Sabam
Op muziek gezet en opgenomen door Café Noir

Jacht

Zie ze rennen rennen rennen
als hazen ervandoor
te laat, te laat, te laat,
ze moeten naar kantoor
Zie ze jagen, jagen, jagen
de dagen zijn te kort
vlugger vlugger vlugger
ze breken een record

en wij
wij hebben tijd
tijd, tijd, tijd
tijd voor elkaar
en wij
wij hebben tijd
tijd, tijd, tijd
tijd voor elkaar

Zie ze woelen, woelen, woelen,
de nachten zijn te lang
wakker, wakker, wakker
ze blijven aan de gang
Zie ze winnen, winnen, winnen,
wie eerst is, is de held
geen tijd, geen tijd, geen tijd
ze winnen al het geld

en wij
wij hebben tijd
tijd, tijd, tijd
tijd voor elkaar

en wij
wij hebben tijd
tijd, tijd, tijd
tijd voor elkaar

te traag maakt hen bang

en wij
wij hebben tijd
tijd, tijd, tijd
tijd voor elkaar

©: David Van Bambost/Sabam
Op muziek gezet door Café Noir

Toen je tien was

Op woensdagochtend drinkt deze niet-zo-ploeter-papa altijd een koffie bij Clouds In My Coffee. Ben je vastgeroest als ze bij je koffieplek weten dat er een cappuccino mag aankomen als jij de deur openduwt? Misschien wel, maar ik geniet hier van de krant, de koffie en mijn equivalent van het Zweedse ‘fika’. Na de koffieklets volgen steevast bolognaiseboodschappen, de dertig graden was en een bezoek aan de doe-het-zelf-zaak of de dierenwinkel om nieuw hooi te halen voor onze knaagbeesten. Wat een vader lijden kan. Daarom: koffie, want de boog, hij kan niet altijd gespannen staan.

Na de koffieklets en de onnoemlijk spannende voormiddag, zo rond 11u50 komen uit de meute ouders en grootouders aan de schoolpoort mijn twee creaties tevoorschijn. En ik vind het keer op keer prachtig om hun gezichten te zien opdagen.
Zij wil bij een vriendinnetje gaan spelen en dat regel ik met de mama van het vriendinnetje. Op mijn zoon zijn gezicht lees ik iets af dat nog het best valt te omschrijven als hoogdringend ongeduld. Zijn ogen zijn groot als schoteltjes, vol verwachting en hoop en al van ver rolt er een hogesnelheidwoordenstroom uit zijn mond, het enige wat ik daarvan opvang is de afsluiter ‘Kom we zijn vlug weg’.
Ik zeg dat ik het niet heb begrepen wegens te ver en te vlug. Hij herhaalt aan hetzelfde tempo. In een wereld van wachten zou deze jongen het nog wel eens moeilijk kunnen krijgen. Uit zijn tweede woordenvloed vang ik op: ‘Minecraft’, ‘twee uur’ en ‘vriend’. Ik maak hem duidelijk dat er niemand mag komen spelen deze middag want dat er schoolwerk op het programma staat. Maar papa heeft het – weer eens – niet begrepen, er moet niemand komen spelen, hij wil om twee uur Minecraften. De communicatie tussen ouder en kind lijkt zich soms in twee afzonderlijke parallelle universums af te spelen. Na een rondje niet-zo-stevig onderhandelen krijgt hij toestemming om een uurtje te Minecraften. Om twee uur? Jaja, om twee uur, en daarna zeker Unité 8 en 9 leren.
Ik weet het wel, om opvoedkundig verantwoord te zijn, moeten de moetjes voor de magjes, maar spaar mij, ik ben ook maar een papa.

Waarom stipt om twee uur? Dat wordt duidelijk stipt om twee uur. Vanuit de keuken sla ik hem ongezien gade. Hij vat post voor de computer, klikt, klikt nog wat, tikt tweevingerig één en ander in en leunt dan tevreden achterover. ‘Rik*, ben je er?’ De bekende stem van het vriendje komt hol van de andere kant van het internet, ‘Ja, ik ben er en ik zie u, ziet gij mij?’
Ik sluip dichterbij met een half afgedroogde pan in mijn handen. Intrigerend vind ik dit. Het groen lichtje van de webcam brandt, ik zie twee geblokte mannetjes rondlopen in een Minecraftwereld. En ik zie een tienjarige die tegen de computer praat.

Mijn geheugen reikt niet zo heel ver, maar als ik even rondwaar in de mist van het verleden, komen er wel flarden terug. Ik weet niet wat u deed toen u tien was, maar ik zie mijzelf als tienjarige verwoed graaien in mijn Legowaspoederton op zoek naar dat ene stukje-van-drie dat ik nodig heb voor mijn onderzoeksboot. Ik speel de slag bij Little Bighorn na met woeste Playmobilindianen en omsingelde blauwbloezen.

Misschien ren ik door de gangen van ons Millennium Falcon-appartement, roepend van ‘tsjieuw tsjieuw tsjieuw’ met een peloton Stormtroopers op mijn hielen. Ik rijd op mijn blauwe fiets rondjes in de straat en laat een stokje muzikaal tikken tegen de spaken van het voorwiel. Tot het stokje afbreekt en mijn hand tussen de spaken terechtkomt. Ik ren met een vriendje door de brandnetels en het hoge gras. We achtervolgen boeven, hij met een plastic revolver, ik met mijn duim en wijsvinger in pistoolhouding want mijn ouders zingen van ‘Koop een Geweer’. Ik bouw een kamp met de bruine en paarse kussens van de sofa, ik train in knikkeren – dat is nodig als je de kluns van de speelplaats bent – ik probeer te rolschaatsen, wat slecht afloopt voor mijn knieën, ik draai en draai aan Rubiks kubus, zonder succes. Ik lig een hele zondagmiddag te lezen in Kruistocht In Spijkerbroek of Detective Blomkwist Leeft Gevaarlijk.

Met zaklamplezen onder de dekens en langer televisie kijken dan ik mocht als voornaamste verboden vruchten was mijn kindertijd beslist kinderlijk eenvoudig. Als ouders van nu moeten we bovenop al de rest ook nog het virtuele leven van onze kinderen reguleren en sturen. Dit is zeker geen pleidooi voor – overdadige – schermtijd, maar geef toe dat het toch bewonderenswaardig inventief is van enkele tienjarigen om via camchat te bespreken wat hun virtuele alter ego’s bouwen, ontginnen en spawnen. Hij speelt ondertussen virtueel samen met drie tot vijf vrienden. Als ouder heb je dan niet meer te blaffen dat computerspelletjes asociaal zijn, dat wel.

David Van Bambost


 * Om privacyredenen werden de namen in dit verhaal gewijzigd.
© David Van Bambost. Verspreiden of kopiëren op om het even welke manier is verboden zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.

 

 

Gelukkig doorjaar

De zon komt op, de dag begint, je staat op, je hoopt en je wanhoopt, je trekt je kleren aan, de kat miauwt, je geeft de kat eten – en een aai – je ontbijt, je bladert door de krant, je hoopt en je wanhoopt, je fietst, de wolken drijven voorbij – net als gisteren, maar andere wolken – je werkt, je werkt mee, je werkt tegen, je vloekt, je lacht, je drinkt koffie, je hart klopt te hard, je denkt, je denkt er het jouwe van, je hoopt en je wanhoopt, je lepelt een kom soep leeg, je eet een boterham – met kaas – je knabbelt, je kijkt rond, je denkt na, je overdenkt, je stopt het in je kop, tussen je oren, je lacht naar de zon, je fietst, je opent de deur, je sluit de deur, je praat, je maakt ruzie, je zegt sorry,  je glimlacht naar een ster ver weg, je hoopt en je wanhoopt, je leeft, je overleeft, je kijkt tv, je pietst, je knabbelt, je verlangt, je hoopt en je wanhoopt, je ziet vuurwerk – massa’s vuurwerk – je kust, je wenst, je drinkt, je hikt, je hoopt, je merkt dat de teller niet op nul wordt gezet, je gaat gewoon verder, door, door, door …

Gelukkig doorjaar!

 

Sas

Ik ben acht en speel op de achterkamer bij mémé en opa. De achterkamer is de logeerkamer, maar hier, vijf hoog in de ‘margarineblokken’ heet een logeerkamer gewoon achterkamer. Logeerkamers zijn voor sjieke mensen. Mijn logeerplaats is dus de ongebruikte kamer van mijn grootouders hun tweekamerappartement. Sommige plaatsen blijven voor altijd in ons geheugen gegrift en dit is zo’n plek.

Er staat een robuuste zetel die wordt uitgeklapt tot bed. ’s Nachts voel ik de springveren in mijn rug, maar ik heb wel lekker een groot bed voor mij alleen. Ik mag niet helpen bij het uitklappen van de bedzetel. We willen vermijden dat mijn kindervingertjes afgekneld raken tussen de zware metalen scharnieren en ressors. 

Naast het bed staat de strijkplank, op de vensterbank het strijkijzer. Aan de muur hangt de clown in dikke olieverfstreken. Overdag kijkt hij al niet vrolijk en vlak voor ik in slaap val, krijgt hij een enge grijns over zijn gezicht. Het is een morbide clown met een bandoleon.
Verder staat er een laag tafeltje van smeedijzer met inlegwerk van geglazuurde tegels. De ervaring leert dat je beter je hoofd niet stoot aan de scherpe hoeken.

Het object dat mij het meeste aantrekt, is de oude radio tegen de muur. Sinds opa een nieuwe Grundig tuner/stereo heeft – hij koopt kwaliteit, hij koopt Duits – is het oude stereomeubel naar de achterkamer verhuisd. De kast is van glimmend donker hout, aan weerszijden zitten vakken met smalle houten latjes en gaasdoek, daar komt het geluid uit. De twee deuren in het midden vormen de eigenlijke kast met verticale vakken voor elpees. Enkel de wijzerplaat aan de voorzijde verraadt dat deze kast een radio is.

Opa noemt ze langspeelplaten en ik moet er vanaf blijven. Toch had ik al Duitse operette, ABBA en een kleinkunstduo in handen. De groeven in de zwarte langspeelplaten veranderen als je plaat anders in het licht houdt. En in het midden staat een afbeelding van een hond die naar een nog oudere platenspeler luistert. De platen zitten niet zomaar in de kast. Het stereomeubel heeft een magisch deksel. Als je die bovenklep opendoet, onthult het binnenste van de kast de platenspeler. Ook hier is afblijven de boodschap. Maar toch, door de fijne arm heen en weer te bewegen, kan ik de rubberen cirkel laten draaien, op 33 of 45.

Naar Mars

Na de logeernacht, wanneer het bed is opgeklapt, mijn pyjama in mijn logeertas zit, mijn tanden zijn gepoetst, haar gekamd en ik mijn kleren aanheb, mag ik nog wat spelen op de achterkamer. Ik vat dan post voor de radiokast en ik vlieg naar Mars.

Er zijn zeven ivoorkleurige dikke drukknoppen voor bediening van motoren, afremmen, afstoten van rakettrappen en lanceren van afweerraketten.
Met een droge klik van de FM/AM-knop activeer ik de hoofdmotor en onder een oorverdovend gedonder maakt mijn raket zich los van de vertrektoren, de dertig meter hoge schouw van de stookinstallatie van het appartementsblok. Ik word achteruit geworpen (let op het tafeltje!) door verpletterende krachten, tegen het tapis-plain gedrukt, onder mijn helm slingeren de lokken van mijn pagekopje hard heen en weer. Vechtend tegen de druk reik ik met mijn linkerhand naar de VOLUME-draaiknop, ik voel zijn geribbelde zijkant tegen mijn vingertoppen, vecht tegen de versnellingskrachten en slaag erin de knop naar MIN te draaien. Zo stijgt de raket geleiderlijker, is er minder wrijving en dus ook minder kans dat ik opbrand in de dampkring.

Met de draaiknop TUNING stel ik de koers bij, ik moet vooral niet tegen de maan aanvliegen, maar er rakelings langsscheren en doorrazen richting Mars. Het rode wijzertje schiet van links naar rechts achter de wijzerplaat.
Als de stekker van de radiokast in het stopcontact zit, wat af en toe mag van opa, en ik zet het wijzertje op Luxembourg of ZDF, dan komt er tussen het atmosferisch geruis en gekraak soms een stem of wat muziek door. Heerlijk vind ik dat, dat ik dan vanop de achterkamer hier in Gent in verbinding sta met een ver land, ook al begrijp ik niet wat ze zeggen en is de muziek maar raar.

Tuning

Ik zit op koers en met knop 1 werk ik de grote stuwraket en de eerste lege brandstoftank af. Er is wat TUNING nodig en VOLUME moet op MAX. Volle kracht stuif ik op de maan af. Door aan de TUNING-knop te draaien én nog extra bij te sturen met de zijdelingse stuurraketten – te bedienen met knoppen 3 en 4, mik ik de raket naast de maan. Ik zie de vlag die de Amerikanen er geplant hebben, ik bestudeer de kraters op het maanoppervlak met mijn supersonische maankraterkijker.

Met knop 2 werp ik de volgende trap van de raket af en dan gaat het verder door het oneindige zwart met z’n onwezenlijke stilte, onverschrokken op weg naar het onbekende. Tijdens deze fase van de vlucht leun ik rustig achterover en kijk rond naar de miljoenen sterren die mij omringen. De clown lacht mij toe.
Liggend op mijn rug bedien ik de raketbesturing met mijn tenen. Een goed getraind astronaut als ik stuurt deze megaraket bij met een eenvoudige beweging van de grote teen zonder uit koers te raken. Oefening baart kunst.

Het kan natuurlijk niet blijven goed gaan. Als je zelf de problemen niet opzoekt, zoeken de problemen jou wel op, dat is astronauten bekend. Ik ben bijna bij Mars als de raket door elkaar wordt geschud door enkele ontploffingen. Ik moet onmiddellijk snel en trefzeker reageren. Eerst hoogte krijgen van de situatie. Twee buitenaardse ruimteschepen cirkelen rond mijn raket en vuren dodelijke ontploffende stralen op mij af. Ik zie ze door het raam aankomen van boven de huizen in de straat achter het appartement. Eentje hangt boven de slager, een ander verbergt zich achter het gebouwtje waarin de vuilniscontainers staan. Ze denken mij vanuit die posities te vernietigen, maar dat is buiten mijn reflexen en hittezoekende bommen gerekend. Snel TUNING ik mijn raket bij en met een harde druk op knoppen 6 en 7 lanceer ik de bommen.
Ik open de klep van de kast. Hopelijk komen opa of mémé nu niet binnen. Heel voorzichtig neem ik de arm van de platenspeler vast en met deze fijnbesturing zend ik mijn bommen exact in de richting van de slechterikken. Bom na bom treft doel en de machines van de buitenaardsen spatten in duizend stukken uit elkaar. Met een zucht van opluchting klap ik het deksel van de kast dicht. Ik stuur de raket in de richting van mijn landingsplaats op Mars.

Alles onder controle

Door mijn mond tegen het rooster van één van de luidsprekers te duwen, kan ik met het grondstation op de Aarde praten, met een diepe stem – niet te luid want elk geluid gaat door de dunne muren van het appartement – zeg ik dat alles onder controle is.
De Aarde antwoordt met de stem van mémé. Doe ne keer uw schoenen aan, we gaan naar tante Gilberte en Alain en Annick. Ik onderbreek mijn missie en ren naar het halletje waar mijn blauwe Kickers trouw op mij wachten. Ze staan op het rafelige tapijtje met Welkom. In de living hoor ik mijn opa vragen Wat was hij aan ’t doen? Mémé antwoordt Tegen de kasse oant klappe.

Opa gaat niet mee, hij leest de krant in zijn fauteuil, een sigaret – groene St-Michels, ik ken het pakje – tussen de nicotinevingers, af en toe as aftikkend op een asbak op een voet naast de zetel. De asbak heeft een draaisysteem. Als je op een hendel duwt, draait er een klepje open en verdwijnt de as. Dat mag ik soms doen.
Ik geef opa een kus en zeg Tot straks. Mémé wacht al op mij in de gang, ongeduldig als altijd, Allez, zijde daar aast? We stappen de trap af naar de tussenverdieping, want niet op elke verdieping is een lift en wandelen een lange gang door naar de liften.

Sneller dan de lift

Wedden dat ik eerst beneden ben mémé, vraag ik als zij op de liftknop duwt.
Loop maar.
Ik storm naar beneden, spring met vijf treden tegelijk de trappen af, slinger langs palen van de traphal, glijd over de leuningen en als ik in de inkomhal arriveer is de lift nog onderweg. Als de lift op 0 komt, trek ik glunderend de zware liftdeur open voor mémé. Zij prijst mijn snelle afdaling met een zinnetje waarin de woorden kapoen, snelste en wereld voorkomen.
We komen in de inkomhal met de zeventig brievenbussen en dalen de majestueuze marmeren trap af. Ik loop in het midden van de trap.
Hou u vast, zegt mémé en ik ga aan de kant van de trap lopen waar een leuning is. Ik weet dat het geen goed idee is om van deze trap te springen hoewel hij daar erg toe uitnodigt. De betonnen poutrelle boven de toegangsdeur zit namelijk iets te laag en als je springt lijkt het alsof je op de kokosmat voor de deur zal landen terwijl je in werkelijkheid met je hoofd tegen het beton knalt. Vijf weken met een gigantische buil rondgelopen bij de vorige sprong. Het leven is moeilijk voor zij die geen ruimtelijk inzicht hebben.

Ik duw de buitendeur open, een geval van tien ton smeedijzer en glas en huppel naar het muurtje met de blauwgeglazuurde bakstenen. Het muurtje is zo gemetseld dat de bovenkant een punt vormt. Als ik er in slaag mijn evenwicht te bewaren en mijn voeten geschrankt zet als een balletdanser, dan kan ik zowat de helft van de lengte over de bovenkant lopen. Dat gaat traag. Mémé wacht mij op aan het einde van het muurtje.
Kom, spoort ze mij aan, we gaan langs het water en over ’t sas.

De grote oversteek

Het sas? Ik tuimel bijna van het muurtje af. Ik had nog niet aan het sas gedacht.

Het appartmentsgebouw van mémé en opa staat in Gent, mijn tante Gilberte woont in Ledeberg. De twee stadsdelen zijn gescheiden door de rivier der rivieren, de Schelde.
Terwijl we langs de Schelde wandelen, neem ik mémé haar hand vast, naarmate we de sluis naderen vernauwt mijn blikveld, gaat mijn hart sneller kloppen en krijg ik zweethandjes.

Daar doemen de sluisdeuren op, grijze stalen muren in het donkere water. De Schelde is hier nog een getijdenrivier, heeft opa eens uitgelegd, en de sluis houdt bij laagtij het water uit de binnenstad tegen. Bij hoogtij beschermt de sluis tegen overstromingen.
Bovenop de sluisdeuren zijn brede planken gemonteerd met een leuning in staal. Eén keer per jaar verft een man de leuning rood en dan weer grijs. Het gevaarlijke aan het sas is dat er tussen de  planken een spleet is, een gapende kloof die eindigt in het troebele water van de Schelde. Bovendien sluiten de twee sluisdeuren niet goed aan in het midden. Het loopvlak vormt een lichte V met tussenin een bijna onoverbrugbare diepte. Veel angstaanjagender toestanden kan ik niet opdiepen uit mijn kinderbrein, behalve dan misschien dat de lift tussen de vijfde en de derde verdieping tot stilstand zou komen in haar betonnen liftkoker.

Ik zou buikpijn kunnen veinzen, zeggen dat ik dringend naar het toilet moet of gewoon van mijn stokje draaien. Maar in mijn kinderlijke eerlijkheid zeg ik Mémé, ik durf niet.
Wat durft ge niet mijne jongene?
Over ’t sas gaan.
We gaan er niet doorvallen hoor. Hou mijn hand maar goed vast.
Ik knijp haar zachte hand bijna tot moes en schuifel voetje voor voetje over de geribbelde planken van de sluis. Rondkijken durf en kan ik niet. Mijn ogen zien enkele de planken, alles er rond bevindt zich in een mist. Mémé trekt mij mee. Allez, zet uwen ene voet over die spleet.
Ik doe het met de grootste moeite. Onder mij in de diepte drijft afval, straks lig ik daar te verzuipen. Wie redt mij dan? Ik klamp mij vast aan mémé haar hand en stap over de kloof, verder over de loopplank om uiteindelijk de overkant te bereiken.

Ziede wel dat t gaat, zegt zij.
Ja mémé.
Bij mémé ben ik veilig, mémé moet mee naar Mars.

 


© David Van Bambost. Verspreiden of kopiëren op om het even welke manier is verboden zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.

Kop vol terreur

IMG_5452Het is de vierde auto in de rij, de zwarte Peugeot met de gedeukte deur en de kromme antenne. Nog tien stappen. Als ik er voorbij wandel, ontploft hij, een zee van vuur, een verschroeiende hitte en een gigantische luchtverplaatsing. Ik word door het raam van een huis geslingerd, verbrand vanbinnen, word uiteengereten. Het zal weken duren voor al mijn lichaamsdelen zijn teruggevonden en geborgen. Ik ben niets, ik ben de toevallige voorbijganger.

Maar neen, er gebeurt niks als ik de auto passeer. De bom gaat pas af wanneer ik al aan het einde van de straat ben. De drukgolf gooit mij als een slappe pop keihard tegen een gevel aan. Duizenden glassplinters snijden in mijn huid, mijn botten kraken, ik hoor niks, ik zie niks. Ik lig tegen een hoop stenen aan en voel kleverig warm bloed stromen, mijn bloed. De pijn is ondraaglijk, ik krijs, ik verdwijn in een zwart gat. Voor de rest van mijn leven zit ik in een rolstoel en ben ik blind.

9

Ik ben een jaar of negen en kijk televisie. Ik zie een weiland met grazende koeien, op de achtergrond staat een passagierstrein stil op de sporen. Die trein staat er al enkele dagen. In de trein zitten passagiers opgesloten. Ik stel mij voor dat zij bang zijn, onzeker en willoos overgeleverd aan enkele zwaar bewapende Zuid-Molukkers. Wat de kapers precies willen, ontgaat mij, maar zij schoten de machinist meteen dood toen zij aan boord kwamen. Vandaag hebben zij nog twee mensen gedood.

Hoe zou dat dan gaan? Je zit in die trein, nog altijd op dezelfde plaats als toen de trein het station uitreed en je je verheugde op het bezoek aan de zoo, die mannen lopen door het gangpad, wijzen jou aan en vragen met gedempte stem of je even wil meekomen? Nee, waarschijnlijk sleuren ze je met geweld uit je stoel. Wat doe je dan? Ga je gedwee mee, verlamd door angst of pleeg je paniekerig verzet?  Misschien laten ze je knielen zoals in de politiefilms en schieten je dan een kogel door je hoofd. Het zou ook kunnen dat je tegen een muur moet staan, een laatste wens mag doen en dan wordt gefusilleerd. Vegen zij achteraf bloed, stukjes schedel en klodders hersenen op, of blijven die hangen op de muur en de vloer?

De twee dode passagiers worden uit de trein gegooid, als vuilniszakken. De lichamen blijven dagenlang in de berm liggen.
De kapers willen nog een man executeren, maar hij springt uit de trein en houdt zich voor dood op de grond. Later krabbelt hij recht en zet het op een lopen. Een slimmigheidje of een wanhoopsdaad?

Gedurende de periode van de kaping roest het besef vast dat je op een doodgewone trein kan komen vast te zitten, overgeleverd aan de willekeur van enkele fanatiekelingen met wapens. Misschien overleef je het, misschien niet.

12

Ik ben twaalf en ik ben waakzaam. Vooral ’s avonds en ’s nachts. Voor ik ga slapen, controleer ik of mama en papa de deuren wel goed op slot deden. Zij moeten ook beloven dat ze voor niemand opendoen, want zij zijn op de vlucht. Het zijn twee mannen, misschien drie, zoveel weet de politie al.
De mama van een speelkameraad uit de straat weet dat het wreed is geweest, met veel bloed en vijf lijken. Dat die mensen erg veel schrik moeten hebben gehad. En dat die gangsters onmensen zijn.
De vader hebben ze in de garage gedood, de anderen hebben zij meegenomen naar de kelder en daar in koelen bloede afgeschoten als beesten. Zouden ze ook gekrijst hebben als beesten, of blijf je stil als je wordt gedood? En doet dat pijn, een kogel door je hart?

Het vermoorde meisje was dertien, ik ben twaalf. En het is hier gebeurd, in Sint-Amandsberg, op drie kilometer van ons huis. Mama zegt dat ze niet naar ons gaan komen. Maar dat kan zij toch niet weten? Daarom waak ik ’s nachts. Ik slaap niet, ik waak. Ook overdag op straat ben ik op mijn hoede. Wie weet schieten ze ook mensen dood op straat. De weg naar school leg ik af door van de ene haag naar het volgende portiek te sluipen en te rennen. Wat als ze naar onze school komen om ons allemaal dood te schieten?  In de straat kan niemand er van slapen, de meisjes niet en de jongens ook niet. Ook grote Peter niet en die is anders nergens bang van. Als we dan toch slapen, hebben we nachtmerries over moordenaars die je meenemen naar de kelder en de loop van een revolver in je mond steken en dan schieten. Hoe gaan ze dat doen bij ons? Wij hebben geen kelder. En gaan ze Smokey en Nimrod laten leven?

Twee dagen later worden ze opgepakt (de gangsters, niet de poezen). Zij hebben een Franse naam, maar die met de zonnebril is een Belg. Zij worden opgesloten, wij kunnen weer slapen.

13

De trein dendert van Milaan naar Firenze. Ik lees Less Than Zero, mijn reisgenoot dommelt, onze rugzakken liggen te schudden in het bagagerek. De trein rolt het station van Bologna binnen. Hier moeten we overstappen. Ik wek mijn reisgenoot. We snoeren onze rugzakken om en stappen de trein uit. Het is bloedheet, hier al, dat belooft als we verder naar het zuiden reizen. Onze trein gaat pas over een uur. Het is te warm om op het perron te wachten. In de wachtzaal is het erg druk, er is airconditioning en de reizigers zoeken hier verkoeling. Alle banken zijn volzet, we gaan op de grond zitten, tegen de muur. Mijn reisgenoot gaat op zoek naar een drankautomaat. Ik kijk mensen.

Er is een felle lichtflits, geschreeuw, vuur, een man valt zwaar op mij en plet mij tegen de leuning van de bank. Mijn oren tuiten. Meer geschreeuw. Zware stenen vallen op mijn hoofd. Het licht gaat uit. Het instortende dak van het station verplettert iedereen die nog niet is omgekomen door de ontploffing. Vijfentachtig onschuldige mensen worden geslachtofferd voor het grotere goed van extreem rechts of extreem links.

Het gebeurde toen ik dertien was, maar als ik vijf jaar later op de trein van Milaan naar Firenze het station van Bologna voorbijrijd, zinderen de beelden nog na van puin en verwrongen staal, van menselijke resten onder het ingestorte gebouw, van een lijk onder treinwagons. Zoveel zinloze doden.

16

Om boodschappen naar de supermarkt? Niks van, ik niet, ik ben niet gek. Ik laat mij op mijn zestiende niet aan flarden schieten voor een papieren zak met boodschappen. En je weet nooit waar en wanneer ze nu zullen binnenvallen, de Reus voorop, vuur spuwend uit zijn riotgun. Zij opereren in commandostijl en willen maar één ding: moorden. Zij dragen carnavalsmaskers om het doden een wrange bijsmaak te geven. Zij brengen de dood koelbloedig en systematisch. Iedereen moet op de grond gaan liggen of knielen. Wie toevallig in het schootsveld loopt, wordt kapotgeschoten. Wie niet onmiddellijk gehoorzaamt, wordt neergemaaid. Overal is bloed, angst, ontreddering … Een tienerjongen dient als menselijk schild. Zou die ooit nog slapen? Zou die nog normaal worden?

De actie verloopt razendsnel, je hebt geen tijd om na te denken, te vluchten of je te verstoppen. Jij bent daar, op dat moment, op die plek; zij schieten en het is gedaan. Op de parking executeren zij nog een willekeurig iemand, springen in hun Golf GTi en razen weg. Op naar de volgende supermarkt waar ze de slachting nog eens overdoen, waar ze een slachtoffer dat op de parking ligt te bloeden een genadeschot geven, waar ze een kassierster die haar kassa niet open krijgt door het hoofd schieten, waar ze nog meer angst en terreur zaaien.

Zij laten een heel land verbijsterd en in angst gehuld achter. En we hebben al weinig ademruimte. We worden al een tijdje geteisterd door de politiekgeïnspireerde aanslagen van de CCC. Met hun bomaanslagen die zij meestal op voorhand aankondigen plegen ze dan wel geen gratuit geweld zoals de Bende van Nijvel, maar er vallen evengoed doden en gewonden. En het geeft evengoed het idee dat je nergens veilig bent.

18

De bom zit misschien niet verstopt in de auto, maar in een vuilnisbak. Of in die rugzak daar, achtergelaten tussen de boekenrekken in de bibliotheek door iemand die dood en verderf wil zaaien op gewone plaatsen. De bibliotheek, een boekhandel, een treinstation of een café. De fragmentatiebom gaat af en strooit loden bolletjes in het rond en spijkers en naalden. Door de kracht van de explosie worden het dodelijke projectielen die mijn lichaam doorzeven. Ik sterf er niet door. Ik stik door rook en vuur, want de bom heeft ook de hele bibliotheek in lichterlaaie gezet.

Ik ben achttien en ik ben op mijn hoede, loop onrustig door de gangen van de Parijse metro, blijf uit de buurt van vuilnisbakken, spied rond als ik mij in een winkel of een museum bevind. Op straat en in de metro krioelt het van de zwaar bewapende politiemensen en militairen. Parijs is een belegerde stad. Auto’s worden tegengehouden en doorzocht, de inzittenden gecontroleerd. Aan de ingang van een museum of winkelcentrum, wordt je rugzak binnenstebuiten gekeerd en word je gescand met een metaaldetector. De Champs Elysée, het Louvre, musée d’Orsay, Les Halles … overal heerst het onveiligheidsgevoel. Mijn zintuigen en zenuwen staan altijd op scherp.

 

Rue de Rennes – Parijs, 1985

Toevallige voorbijgangers werden zwaar verwond door de kleine loden kogeltjes van een vuilnisbakbom. Er zijn bommen ontploft in de Printemps en Galeries Lafayette, er zijn aanslagen geweest tegen een boekenwinkel, de FNAC, een politiekantoor, een discotheek, een café, een metrostation, de Eiffeltoren, de Arc de Triomphe, een postkantoor … Wij zijn weerloos, volledig weerloos.

26

Ik ben zesentwintig en la vita è bella, maar in Rome hangt deze zomer een zeer onaangename sfeer. Op elke straathoek staan carabinieri met mitrailleurs en pantserwagens. Je wordt met argusogen bekeken, je kan de spanning aflezen van het gezicht van de agenten. De maffia heeft in Milaan en Firenze bomauto’s laten exploderen. In het Uffizi is een krater van twee op drie meter geslaan, vijf mensen zijn gestorven, waaronder twee kinderen van 6 en 9.
Dat het gevaar nabij is, is wel duidelijk. Mijn toevallige Amerikaanse reisgenote en ikzelf laten ons niet al te veel afschrikken. In late zon hangen we rond op het piazza Navona. Wanneer ik nog maar drie stappen bij haar vandaan ben, zwermt er al gauw een horde Italianen om haar heen. Wespen rond een appeltaart. Twee van die Italiaanse jongens nodigen haar uit om Rome te verkennen, zij zullen haar de mooiste plekjes laten zien. Zij vraagt of ik ook meemag. Ik zie de teleurstelling op hun gezichten. Toch mag ik mee, als vijfde wiel aan de Fiat Cinquecento.

Wij zitten op de achterbank geprangd, met een rotvaart schieten rotondes, pleinen en nauwe straatjes voorbij. Giovanni rijdt met één hand aan het stuur, de andere hand losjes uit het raam bengelend. De jongens kwebbelen honderduit tegen haar. Ik word genegeerd.
Op een klein kruispunt, waar twee straten elkaar haaks kruisen, komt de rollercoaster even tot stilstand. Voor we goed beseffen wat er gebeurt, springen twee carabinieri tevoorschijn en duwen met een getrainde beweging én veel geschreeuw de loop van hun geweer door de open raampjes tegen de borst van Giovanni en het hoofd van Romeo. Op de achterbank slaakt de Amerikaanse reisgenote een gil. De soldaten snauwen bevelen naar de twee jongens die met trillende handen hun papieren overhandigen. Ik vraag mij af: wat als één van die militairen de trekker overhaalt? Die kogel gaat dan door Giovanni en de autostoel heen en heeft beslist nog genoeg kracht om mij dodelijk te verwonden. En als Romeo een kogel door z’n kop krijgt, zitten we dan straks onder het bloed en de smurrie? Er wordt hier niet normaal gepraat, het is één en al roepen, snauwen en snakken. En dan verdwijnen de soldaten, Giovanni gooit de auto in z’n achteruit en stuift het smalle straatje uit.

34

Zwarte September, Aboe Nidal , PLO, RAF, Het Lichtend Pad, Action Direct, CCC, Bende van Nijvel, Hamas, Baader Meinhof Grouppe, ETA, GIA, IRA … De groeperingen die terreur zaaiden in mijn jonge hoofd zijn ondertussen opgedoekt, opgerold of uitgestorven.
Het geweld van extreem links of rechts en diepgelovige bloedhonden gaat verder. Fanatici crashen vliegtuigen in de Twin Towers, ontvoeren mensen en verbranden hen levend, blazen auto’s, gebouwen en mensen op, executeren onschuldigen in de naam van … En zo krijgt elke generatie de zaden van terreur geplant, in het hoofd, right between the eyes.

 Epiloog

Onder de achterbank, de grote achterbank die over de hele breedte van de bus loopt en waar de kinderen graag zitten omdat de bus daar zo leuk wiebelt, daar zit de bom …

 


© David Van Bambost. Verspreiden of kopiëren op om het even welke manier is verboden zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.