Toen je tien was

Op woensdagochtend drinkt deze niet-zo-ploeter-papa altijd een koffie bij Clouds In My Coffee. Ben je vastgeroest als ze bij je koffieplek weten dat er een cappuccino mag aankomen als jij de deur openduwt? Misschien wel, maar ik geniet hier van de krant, de koffie en mijn equivalent van het Zweedse ‘fika’. Na de koffieklets volgen steevast bolognaiseboodschappen, de dertig graden was en een bezoek aan de doe-het-zelf-zaak of de dierenwinkel om nieuw hooi te halen voor onze knaagbeesten. Wat een vader lijden kan. Daarom: koffie, want de boog, hij kan niet altijd gespannen staan.

Na de koffieklets en de onnoemlijk spannende voormiddag, zo rond 11u50 komen uit de meute ouders en grootouders aan de schoolpoort mijn twee creaties tevoorschijn. En ik vind het keer op keer prachtig om hun gezichten te zien opdagen.
Zij wil bij een vriendinnetje gaan spelen en dat regel ik met de mama van het vriendinnetje. Op mijn zoon zijn gezicht lees ik iets af dat nog het best valt te omschrijven als hoogdringend ongeduld. Zijn ogen zijn groot als schoteltjes, vol verwachting en hoop en al van ver rolt er een hogesnelheidwoordenstroom uit zijn mond, het enige wat ik daarvan opvang is de afsluiter ‘Kom we zijn vlug weg’.
Ik zeg dat ik het niet heb begrepen wegens te ver en te vlug. Hij herhaalt aan hetzelfde tempo. In een wereld van wachten zou deze jongen het nog wel eens moeilijk kunnen krijgen. Uit zijn tweede woordenvloed vang ik op: ‘Minecraft’, ‘twee uur’ en ‘vriend’. Ik maak hem duidelijk dat er niemand mag komen spelen deze middag want dat er schoolwerk op het programma staat. Maar papa heeft het – weer eens – niet begrepen, er moet niemand komen spelen, hij wil om twee uur Minecraften. De communicatie tussen ouder en kind lijkt zich soms in twee afzonderlijke parallelle universums af te spelen. Na een rondje niet-zo-stevig onderhandelen krijgt hij toestemming om een uurtje te Minecraften. Om twee uur? Jaja, om twee uur, en daarna zeker Unité 8 en 9 leren.
Ik weet het wel, om opvoedkundig verantwoord te zijn, moeten de moetjes voor de magjes, maar spaar mij, ik ben ook maar een papa.

Waarom stipt om twee uur? Dat wordt duidelijk stipt om twee uur. Vanuit de keuken sla ik hem ongezien gade. Hij vat post voor de computer, klikt, klikt nog wat, tikt tweevingerig één en ander in en leunt dan tevreden achterover. ‘Rik*, ben je er?’ De bekende stem van het vriendje komt hol van de andere kant van het internet, ‘Ja, ik ben er en ik zie u, ziet gij mij?’
Ik sluip dichterbij met een half afgedroogde pan in mijn handen. Intrigerend vind ik dit. Het groen lichtje van de webcam brandt, ik zie twee geblokte mannetjes rondlopen in een Minecraftwereld. En ik zie een tienjarige die tegen de computer praat.

Mijn geheugen reikt niet zo heel ver, maar als ik even rondwaar in de mist van het verleden, komen er wel flarden terug. Ik weet niet wat u deed toen u tien was, maar ik zie mijzelf als tienjarige verwoed graaien in mijn Legowaspoederton op zoek naar dat ene stukje-van-drie dat ik nodig heb voor mijn onderzoeksboot. Ik speel de slag bij Little Bighorn na met woeste Playmobilindianen en omsingelde blauwbloezen.

Misschien ren ik door de gangen van ons Millennium Falcon-appartement, roepend van ‘tsjieuw tsjieuw tsjieuw’ met een peloton Stormtroopers op mijn hielen. Ik rijd op mijn blauwe fiets rondjes in de straat en laat een stokje muzikaal tikken tegen de spaken van het voorwiel. Tot het stokje afbreekt en mijn hand tussen de spaken terechtkomt. Ik ren met een vriendje door de brandnetels en het hoge gras. We achtervolgen boeven, hij met een plastic revolver, ik met mijn duim en wijsvinger in pistoolhouding want mijn ouders zingen van ‘Koop een Geweer’. Ik bouw een kamp met de bruine en paarse kussens van de sofa, ik train in knikkeren – dat is nodig als je de kluns van de speelplaats bent – ik probeer te rolschaatsen, wat slecht afloopt voor mijn knieën, ik draai en draai aan Rubiks kubus, zonder succes. Ik lig een hele zondagmiddag te lezen in Kruistocht In Spijkerbroek of Detective Blomkwist Leeft Gevaarlijk.

Met zaklamplezen onder de dekens en langer televisie kijken dan ik mocht als voornaamste verboden vruchten was mijn kindertijd beslist kinderlijk eenvoudig. Als ouders van nu moeten we bovenop al de rest ook nog het virtuele leven van onze kinderen reguleren en sturen. Dit is zeker geen pleidooi voor – overdadige – schermtijd, maar geef toe dat het toch bewonderenswaardig inventief is van enkele tienjarigen om via camchat te bespreken wat hun virtuele alter ego’s bouwen, ontginnen en spawnen. Hij speelt ondertussen virtueel samen met drie tot vijf vrienden. Als ouder heb je dan niet meer te blaffen dat computerspelletjes asociaal zijn, dat wel.

David Van Bambost


 * Om privacyredenen werden de namen in dit verhaal gewijzigd.
© David Van Bambost. Verspreiden of kopiëren op om het even welke manier is verboden zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.

 

 

Kop vol terreur

IMG_5452Het is de vierde auto in de rij, de zwarte Peugeot met de gedeukte deur en de kromme antenne. Nog tien stappen. Als ik er voorbij wandel, ontploft hij, een zee van vuur, een verschroeiende hitte en een gigantische luchtverplaatsing. Ik word door het raam van een huis geslingerd, verbrand vanbinnen, word uiteengereten. Het zal weken duren voor al mijn lichaamsdelen zijn teruggevonden en geborgen. Ik ben niets, ik ben de toevallige voorbijganger.

Maar neen, er gebeurt niks als ik de auto passeer. De bom gaat pas af wanneer ik al aan het einde van de straat ben. De drukgolf gooit mij als een slappe pop keihard tegen een gevel aan. Duizenden glassplinters snijden in mijn huid, mijn botten kraken, ik hoor niks, ik zie niks. Ik lig tegen een hoop stenen aan en voel kleverig warm bloed stromen, mijn bloed. De pijn is ondraaglijk, ik krijs, ik verdwijn in een zwart gat. Voor de rest van mijn leven zit ik in een rolstoel en ben ik blind.

9

Ik ben een jaar of negen en kijk televisie. Ik zie een weiland met grazende koeien, op de achtergrond staat een passagierstrein stil op de sporen. Die trein staat er al enkele dagen. In de trein zitten passagiers opgesloten. Ik stel mij voor dat zij bang zijn, onzeker en willoos overgeleverd aan enkele zwaar bewapende Zuid-Molukkers. Wat de kapers precies willen, ontgaat mij, maar zij schoten de machinist meteen dood toen zij aan boord kwamen. Vandaag hebben zij nog twee mensen gedood.

Hoe zou dat dan gaan? Je zit in die trein, nog altijd op dezelfde plaats als toen de trein het station uitreed en je je verheugde op het bezoek aan de zoo, die mannen lopen door het gangpad, wijzen jou aan en vragen met gedempte stem of je even wil meekomen? Nee, waarschijnlijk sleuren ze je met geweld uit je stoel. Wat doe je dan? Ga je gedwee mee, verlamd door angst of pleeg je paniekerig verzet?  Misschien laten ze je knielen zoals in de politiefilms en schieten je dan een kogel door je hoofd. Het zou ook kunnen dat je tegen een muur moet staan, een laatste wens mag doen en dan wordt gefusilleerd. Vegen zij achteraf bloed, stukjes schedel en klodders hersenen op, of blijven die hangen op de muur en de vloer?

De twee dode passagiers worden uit de trein gegooid, als vuilniszakken. De lichamen blijven dagenlang in de berm liggen.
De kapers willen nog een man executeren, maar hij springt uit de trein en houdt zich voor dood op de grond. Later krabbelt hij recht en zet het op een lopen. Een slimmigheidje of een wanhoopsdaad?

Gedurende de periode van de kaping roest het besef vast dat je op een doodgewone trein kan komen vast te zitten, overgeleverd aan de willekeur van enkele fanatiekelingen met wapens. Misschien overleef je het, misschien niet.

12

Ik ben twaalf en ik ben waakzaam. Vooral ’s avonds en ’s nachts. Voor ik ga slapen, controleer ik of mama en papa de deuren wel goed op slot deden. Zij moeten ook beloven dat ze voor niemand opendoen, want zij zijn op de vlucht. Het zijn twee mannen, misschien drie, zoveel weet de politie al.
De mama van een speelkameraad uit de straat weet dat het wreed is geweest, met veel bloed en vijf lijken. Dat die mensen erg veel schrik moeten hebben gehad. En dat die gangsters onmensen zijn.
De vader hebben ze in de garage gedood, de anderen hebben zij meegenomen naar de kelder en daar in koelen bloede afgeschoten als beesten. Zouden ze ook gekrijst hebben als beesten, of blijf je stil als je wordt gedood? En doet dat pijn, een kogel door je hart?

Het vermoorde meisje was dertien, ik ben twaalf. En het is hier gebeurd, in Sint-Amandsberg, op drie kilometer van ons huis. Mama zegt dat ze niet naar ons gaan komen. Maar dat kan zij toch niet weten? Daarom waak ik ’s nachts. Ik slaap niet, ik waak. Ook overdag op straat ben ik op mijn hoede. Wie weet schieten ze ook mensen dood op straat. De weg naar school leg ik af door van de ene haag naar het volgende portiek te sluipen en te rennen. Wat als ze naar onze school komen om ons allemaal dood te schieten?  In de straat kan niemand er van slapen, de meisjes niet en de jongens ook niet. Ook grote Peter niet en die is anders nergens bang van. Als we dan toch slapen, hebben we nachtmerries over moordenaars die je meenemen naar de kelder en de loop van een revolver in je mond steken en dan schieten. Hoe gaan ze dat doen bij ons? Wij hebben geen kelder. En gaan ze Smokey en Nimrod laten leven?

Twee dagen later worden ze opgepakt (de gangsters, niet de poezen). Zij hebben een Franse naam, maar die met de zonnebril is een Belg. Zij worden opgesloten, wij kunnen weer slapen.

13

De trein dendert van Milaan naar Firenze. Ik lees Less Than Zero, mijn reisgenoot dommelt, onze rugzakken liggen te schudden in het bagagerek. De trein rolt het station van Bologna binnen. Hier moeten we overstappen. Ik wek mijn reisgenoot. We snoeren onze rugzakken om en stappen de trein uit. Het is bloedheet, hier al, dat belooft als we verder naar het zuiden reizen. Onze trein gaat pas over een uur. Het is te warm om op het perron te wachten. In de wachtzaal is het erg druk, er is airconditioning en de reizigers zoeken hier verkoeling. Alle banken zijn volzet, we gaan op de grond zitten, tegen de muur. Mijn reisgenoot gaat op zoek naar een drankautomaat. Ik kijk mensen.

Er is een felle lichtflits, geschreeuw, vuur, een man valt zwaar op mij en plet mij tegen de leuning van de bank. Mijn oren tuiten. Meer geschreeuw. Zware stenen vallen op mijn hoofd. Het licht gaat uit. Het instortende dak van het station verplettert iedereen die nog niet is omgekomen door de ontploffing. Vijfentachtig onschuldige mensen worden geslachtofferd voor het grotere goed van extreem rechts of extreem links.

Het gebeurde toen ik dertien was, maar als ik vijf jaar later op de trein van Milaan naar Firenze het station van Bologna voorbijrijd, zinderen de beelden nog na van puin en verwrongen staal, van menselijke resten onder het ingestorte gebouw, van een lijk onder treinwagons. Zoveel zinloze doden.

16

Om boodschappen naar de supermarkt? Niks van, ik niet, ik ben niet gek. Ik laat mij op mijn zestiende niet aan flarden schieten voor een papieren zak met boodschappen. En je weet nooit waar en wanneer ze nu zullen binnenvallen, de Reus voorop, vuur spuwend uit zijn riotgun. Zij opereren in commandostijl en willen maar één ding: moorden. Zij dragen carnavalsmaskers om het doden een wrange bijsmaak te geven. Zij brengen de dood koelbloedig en systematisch. Iedereen moet op de grond gaan liggen of knielen. Wie toevallig in het schootsveld loopt, wordt kapotgeschoten. Wie niet onmiddellijk gehoorzaamt, wordt neergemaaid. Overal is bloed, angst, ontreddering … Een tienerjongen dient als menselijk schild. Zou die ooit nog slapen? Zou die nog normaal worden?

De actie verloopt razendsnel, je hebt geen tijd om na te denken, te vluchten of je te verstoppen. Jij bent daar, op dat moment, op die plek; zij schieten en het is gedaan. Op de parking executeren zij nog een willekeurig iemand, springen in hun Golf GTi en razen weg. Op naar de volgende supermarkt waar ze de slachting nog eens overdoen, waar ze een slachtoffer dat op de parking ligt te bloeden een genadeschot geven, waar ze een kassierster die haar kassa niet open krijgt door het hoofd schieten, waar ze nog meer angst en terreur zaaien.

Zij laten een heel land verbijsterd en in angst gehuld achter. En we hebben al weinig ademruimte. We worden al een tijdje geteisterd door de politiekgeïnspireerde aanslagen van de CCC. Met hun bomaanslagen die zij meestal op voorhand aankondigen plegen ze dan wel geen gratuit geweld zoals de Bende van Nijvel, maar er vallen evengoed doden en gewonden. En het geeft evengoed het idee dat je nergens veilig bent.

18

De bom zit misschien niet verstopt in de auto, maar in een vuilnisbak. Of in die rugzak daar, achtergelaten tussen de boekenrekken in de bibliotheek door iemand die dood en verderf wil zaaien op gewone plaatsen. De bibliotheek, een boekhandel, een treinstation of een café. De fragmentatiebom gaat af en strooit loden bolletjes in het rond en spijkers en naalden. Door de kracht van de explosie worden het dodelijke projectielen die mijn lichaam doorzeven. Ik sterf er niet door. Ik stik door rook en vuur, want de bom heeft ook de hele bibliotheek in lichterlaaie gezet.

Ik ben achttien en ik ben op mijn hoede, loop onrustig door de gangen van de Parijse metro, blijf uit de buurt van vuilnisbakken, spied rond als ik mij in een winkel of een museum bevind. Op straat en in de metro krioelt het van de zwaar bewapende politiemensen en militairen. Parijs is een belegerde stad. Auto’s worden tegengehouden en doorzocht, de inzittenden gecontroleerd. Aan de ingang van een museum of winkelcentrum, wordt je rugzak binnenstebuiten gekeerd en word je gescand met een metaaldetector. De Champs Elysée, het Louvre, musée d’Orsay, Les Halles … overal heerst het onveiligheidsgevoel. Mijn zintuigen en zenuwen staan altijd op scherp.

 

Rue de Rennes – Parijs, 1985

Toevallige voorbijgangers werden zwaar verwond door de kleine loden kogeltjes van een vuilnisbakbom. Er zijn bommen ontploft in de Printemps en Galeries Lafayette, er zijn aanslagen geweest tegen een boekenwinkel, de FNAC, een politiekantoor, een discotheek, een café, een metrostation, de Eiffeltoren, de Arc de Triomphe, een postkantoor … Wij zijn weerloos, volledig weerloos.

26

Ik ben zesentwintig en la vita è bella, maar in Rome hangt deze zomer een zeer onaangename sfeer. Op elke straathoek staan carabinieri met mitrailleurs en pantserwagens. Je wordt met argusogen bekeken, je kan de spanning aflezen van het gezicht van de agenten. De maffia heeft in Milaan en Firenze bomauto’s laten exploderen. In het Uffizi is een krater van twee op drie meter geslaan, vijf mensen zijn gestorven, waaronder twee kinderen van 6 en 9.
Dat het gevaar nabij is, is wel duidelijk. Mijn toevallige Amerikaanse reisgenote en ikzelf laten ons niet al te veel afschrikken. In late zon hangen we rond op het piazza Navona. Wanneer ik nog maar drie stappen bij haar vandaan ben, zwermt er al gauw een horde Italianen om haar heen. Wespen rond een appeltaart. Twee van die Italiaanse jongens nodigen haar uit om Rome te verkennen, zij zullen haar de mooiste plekjes laten zien. Zij vraagt of ik ook meemag. Ik zie de teleurstelling op hun gezichten. Toch mag ik mee, als vijfde wiel aan de Fiat Cinquecento.

Wij zitten op de achterbank geprangd, met een rotvaart schieten rotondes, pleinen en nauwe straatjes voorbij. Giovanni rijdt met één hand aan het stuur, de andere hand losjes uit het raam bengelend. De jongens kwebbelen honderduit tegen haar. Ik word genegeerd.
Op een klein kruispunt, waar twee straten elkaar haaks kruisen, komt de rollercoaster even tot stilstand. Voor we goed beseffen wat er gebeurt, springen twee carabinieri tevoorschijn en duwen met een getrainde beweging én veel geschreeuw de loop van hun geweer door de open raampjes tegen de borst van Giovanni en het hoofd van Romeo. Op de achterbank slaakt de Amerikaanse reisgenote een gil. De soldaten snauwen bevelen naar de twee jongens die met trillende handen hun papieren overhandigen. Ik vraag mij af: wat als één van die militairen de trekker overhaalt? Die kogel gaat dan door Giovanni en de autostoel heen en heeft beslist nog genoeg kracht om mij dodelijk te verwonden. En als Romeo een kogel door z’n kop krijgt, zitten we dan straks onder het bloed en de smurrie? Er wordt hier niet normaal gepraat, het is één en al roepen, snauwen en snakken. En dan verdwijnen de soldaten, Giovanni gooit de auto in z’n achteruit en stuift het smalle straatje uit.

34

Zwarte September, Aboe Nidal , PLO, RAF, Het Lichtend Pad, Action Direct, CCC, Bende van Nijvel, Hamas, Baader Meinhof Grouppe, ETA, GIA, IRA … De groeperingen die terreur zaaiden in mijn jonge hoofd zijn ondertussen opgedoekt, opgerold of uitgestorven.
Het geweld van extreem links of rechts en diepgelovige bloedhonden gaat verder. Fanatici crashen vliegtuigen in de Twin Towers, ontvoeren mensen en verbranden hen levend, blazen auto’s, gebouwen en mensen op, executeren onschuldigen in de naam van … En zo krijgt elke generatie de zaden van terreur geplant, in het hoofd, right between the eyes.

 Epiloog

Onder de achterbank, de grote achterbank die over de hele breedte van de bus loopt en waar de kinderen graag zitten omdat de bus daar zo leuk wiebelt, daar zit de bom …

 


© David Van Bambost. Verspreiden of kopiëren op om het even welke manier is verboden zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.

Jan, of het eindeloze slapen

Jan slaapt slecht, hij ziet ’s nachts de slaapfasen voorbijkomen, onafgewerkte fasen, waarin hij blijft hangen en die hem geen voldoening geven.

In de eerste fase, de boekfase, valt hij in slaap boven de vuistdikke turf die hij leest. Het boek boeit hem niet, maar hij leest het omdat het op één staat in de bestsellerlijsten en omdat al zijn vrienden het lezen. En als er iets is dat Jan haat, dan is het niet méé zijn op het vlak van boeken, film, muziek, theater …

Ingrid maakt een einde aan de boekfase door het boek uit zijn handen te nemen en het leeslampje uit te knippen.

Rilatinelabyrint

Met het donker komt de maalfase. Hij ligt, plots weer klaarwakker, naar het plafond te staren, met in zijn ene oor het snurken en knarsetanden van zijn vrouw en in het andere oor het gezoem van een late herfstmug. Gepieker en gepeins in zijn hoofd. Wat moet hij aanvangen met de aannemer die de verbouwing van hun huis heeft stilgelegd? Dan toch maar de laatste factuur betalen, ook al ramde het werkvolk een poutrel dwars door de gemeenschappelijke muur met de buren, met alle gevolgen – schadeclaims en ruzie – vandien? Jan kan niet om met dat soort mensen. Jan kan ook niet om met zijn oudste zoon. Zou hij echt een aandachtsstoornis hebben zoals het halve lerarenkorps beweert? En moet hij daarom medicijnen slikken? Ingrid zei toch dat de psychiater, bij wie ze godbetert na een wachttijd van zes (6!) maanden terecht kon, direct met Rilatine kwam aandraven. En dat terwijl hij misschien tien minuten met Jonas had gepraat. Volgens Jan is het gewoon een beweeglijke jongen. Hij kent dat soort jongens, er zat er vroeger zo eentje in zijn klas. Die kreeg dan gewoon een tik tegen zijn oren en een bank achteraan in de klas. Had niemand er nog last van. Er is dan ook geen enkele reden om zich te laten meeslepen in de Rilatinehype. We gaan vooral niet panikeren, maar wel streng en consequent zijn met het kind en over zes maanden nog eens opnieuw op consult gaan. Ondertussen bidt Jan bij nacht en ontij, hij bidt en hoopt dat zijn elfjarige niet het cascadesysteem afraast richting beerputten van het onderwijs om nooit ofte nimmer meer het hoofd boven het maatschappelijk moeras uit te steken. Waar eindigt dat? Drugs, drank, misdaad, miserie … ? Tijd voor een slaaptablet? Nee, de slaap komt wel. Maar nog één ding. Wat met Ingrid die al vijf jaar geen poot meer naar hem uitsteekt en bovendien in een andere wereld lijkt te leven dan hijzelf, een wereld zonder zorgen en zonder pijn? Die vraag brengt hem in een labyrint van gedachten en emoties waaruit geen uitweg is en dus geven zijn hersenen het op en valt hij in slaap.

Weg van de diepslaap

Hij bereikt nooit de diepeslaapfase, maar wordt door een volle blaas het bed uitgejaagd, wat nog verschillende keren die nacht zal gebeuren. Om 1u33 wordt hij een eerste keer met de neus op zijn falende gezondheidstoestand gedrukt. Onderweg naar het toilet maakt hij een mentale nota dat hij met dat plasprobleem dringend naar de dokter moet. Hij weet dat hij daar geen tijd voor heeft. Als de specialist zit, zit hij te werken. En als de specialist niet zit, dan zit hij ook te werken of is hij druk druk druk met hobby’s, voorzitterschap, engagementen of – af en toe – quality-time met de kids. Tijd voor de dokter is er dus niet en bovendien is de dokter overbodig. Dokters zijn enkel goed voor sukkelaars die zich inbeelden dat ze ziek zijn, die niet de kracht en het karakter hebben om te vechten. Mensen met depressies en burn-outs en dergelijke fantasmen. Jan is niet zo’n sukkelaar, hij is opgetrokken uit Vlaamse klei en niet gemaakt om te klagen en te zagen. En slapen doet hij wel als hij dood is.Gezondheidsproblemen zijn überhaupt geen problemen als hij er maar geen aandacht aan besteedt, en dat lukt wonderwel door te blijven doordraaien.

Naar China

Op de wc vindt hij de tijd om twee artikels te lezen in de weekendkrant van drie weken geleden. Eerst het artikel over stijgende werkloosheid in Europa en meer bepaald in de sector waar hij de nectar haalt. Het probleem blijkt te zijn dat hij te veel kost, in casu dat hij te veel verdient en te veel profiteert van ‘het systeem’. Een dertiende en veertiende maand, betaalde vakantiedagen, extra vakantiegeld, sociale zekerheid, een bedrijfswagen en -gsm, hij overdrijft rijkelijk. Vergelijk dat eens met de Chinees die zijn smartphone in elkaar knutselt, het Pakistaantje dat zijn kleding naait, de boer die zijn koffie oogst. Die mensen werken zestig uur per week, zonder morren, zonder extra’s, zonder perspectief. Goed, nu en dan pleegt er eentje zelfmoord uit wanhoop, maar wie maalt daar om? Jan vast en zeker niet. Hij moet immers ook hard zijn kas afdraaien. En daar moet iets tegenover staan, en als hij een profiteur wordt genoemd, zal hij eens stoppen met werken, zien hoe de economie dan nog draait. Vierkant natuurlijk.
In het andere artikel leest hij dat de nieuwe regering de tering naar de nering zal zetten. Hij krijgt acute buikkrampen als hij vaststelt dat hij zal kunnen fluiten naar de belastingvermindering voor het isolerend glas en de hoge rendementsketel die hij liet plaatsen. De krampen zijn totaal als hij bij de paragraaf komt over het terugbetalen van zijn groenestroomcertificaten. En hij maakt spontaan een zin met de woorden ‘gat’ en ‘kussen’ als hij leest over de kosten die hij zelf zal moeten ophoesten voor zorg, cultuur en pensioen. Hij spoelt door, hijst zijn pyjamabroek op en sloft met een wee gevoel in zijn buik terug naar bed. Daar gaat het malen over in woelen.

Restless legs

Zijn rusteloze benen verhinderen dat hij inslaapt. Hij ligt te schokken als een epilepsiepatiënt en besluit na een dik kwartier dat het zo niet verder kan. Dus stapt hij opnieuw uit bed, sluipt in het donker naar de keuken om melk-met-honing-en-een-scheut-rum te warmen en op te slurpen. Voor alle zekerheid neemt hij nog een paar fikse slokken rum rechtstreeks uit de fles, misschien brengt dat slaap. En dan terug naar zijn nest. Naar Ingrid die God-mag-weten-waarom diep slaapt. De melk en de rum helpen niet veel, of heeft hij toch even geslapen? En waarom ligt hij dan opnieuw te woelen? Te denken aan morgen, aan de vergadering die hij zal hebben met de baas. Waarover wil zij hem spreken? Over het e-mailincident? Over zijn ontslag of over het ontslag van één van zijn collega’s? Over de sfeer op kantoor die zich rond het vriespunt situeert en zijn rol daarin? Over de excelsheet waarin hij door een onoplettendheid hoeveelheden en eenheidsprijzen door elkaar haalde? Over de scans en kopies die hij voor eigen gebruik maakt? In het donker passeren verschillende scenario’s de revue. Het is tijd voor een carrièreswitch, daar is hij zich van bewust. Hij krijgt geen waardering, dat zal hij haar eens zeggen, en als hij geen waardering krijgt, dan zoekt hij die wel ergens anders. Ander en beter. Iedereen doet het, iedereen jobhopt, neemt een sabbatical, bouwt af of op, maar Jan niet. Jan is een mossel die zich vastklampt aan zijn zogezegd veilige plek. Tot hij geplukt wordt om gaar te koken met de andere mossels en een pak fijngesneden seizoensgroenten. Trouwens, over groenten gesproken. Waarom waren de acteurs in dat toneelstuk ‘Wachten op Godot’ verkleed als een prei en een selder? En vooral: waarom doorgrondt hij die symboliek niet? Zijn geest dwaalt af naar het verdere verloop van de dag, naar de afgunstige blikken van collega’s, naar het geroddel bij de koffiemachine, naar de praktische zaken van morgen, hoe hij de jongste twee op tijd op school krijgt, hoeveel moeite, gezeur en getier het nu weer zal kosten. En hij mag er niet aan denken dat hij nog boodschappen moet doen tussen het werk en het uit school halen van de kinderen, voor zes uur, voor de opvang sluit, en liefst niet weer als laatste papa. Jan weet niet hoe hij het redt, hoe hij de kinderen een uitgebalanceerde biologische maaltijd voorschotelt terwijl Ingrid met bus en trein onderweg is naar huis (géén kant-en-klaar eten heeft ze hem bezworen, we willen geen rare stoffen in die tere lijfjes pompen). En hij hoopt maar dat zij op tijd thuis zal zijn zodat hij de oudste zijn huiswerk niet hoeft te controleren, maar op tijd kan vertrekken naar de toneelvoorstelling waar hij om acht uur moet zijn. Het is bijna onmogelijk, maar het moet ook al heeft hij de voorstelling al gezien. Het moet, want belofte maakt schuld. Hij hoopt nu al dat het napraten met de vriendin niet té lang duurt, zodat hij voor het slapengaan nog zijn mails en facebook kan checken en een paar rake posts op de wereld kan loslaten. Hij weet dat de vriendin ook nu weer over het voorval zal beginnen en hij hoopt dat zij dit keer – eindelijk – zal snappen dat wat hij toen zei en deed dan wel recht uit zijn hart kwam, maar niet bedoeld was om haar te kwetsen, integendeel. En dat hij er ook niet kan mee doorgaan. De gedachten kronkelen door zijn hersenen, wat hij zal zeggen, wat hij had moeten zeggen, wat hij zou moeten zeggen en wat hij nooit zal zeggen. Met een schok beseft hij dat het morgen de vriendin haar verjaardag is. Daarom neemt hij haar mee naar toneel. Is een toneelticket wel een cadeau? Moeten er bloemen gekocht? Dat lukt nooit in de tijdspleet tussen werk, boodschappen doen en kids afhalen. Dan maar een kaartje ‘goed voor …’ en de dedain achter haar fake glimlach trotseren wanneer hij het overhandigt en meteen noteren dat hij dan nog een keertje met haar uit moet. Hij gaat pissen om dan met koude voeten weer onder de deken te kruipen en op de klokradio te zien dat het bijna tijd is om op te staan. Vlak voor de slaapfase-van-kwart-voor-zes bedenkt hij ‘Waar ben ik eigenlijk mee bezig?’ om vervolgens gewekt te worden door het nieuws van zeven uur.

Hij zou liever diep in zijn nest blijven liggen in plaats van uit bed te kruipen, maar hoor, De Plicht roept, hij moet opstaan om geld te gaan verdienen, om het bnp op peil te houden en vooral om de auto, het huis en nog een en ander af te betalen. De hernia van te veel op een bureaustoel te zitten en zijn huis zelf te verbouwen, verbiedt dat hij fluks uit bed springt. Dus komt hij ter aarde in een krampachtige rolbeweging. Via de wekkerradio komt de actualiteit tot hem. Iets over godsdienstfanatici die het leven geen lachertje vinden. Met een snel schietgebedje smeekt hij dat de wereld mag blijven draaien alvorens zich op de gang luidkeels tot zijn koters te richten met de boodschap dat het tijd is om op te staan, want dat school en smartboard niet wachten. Jan begint aan een nieuwe dag, de aanloop naar een nieuwe nacht.


© David Van Bambost

Elk gelijkenis met bestaande personen of situaties berust op louter toeval en is niet bedoeld door de auteur.

Rekker

‘Papa, ik wil een paardenstaart maken, maar ik vind geen rekkertje.’

‘Neen? Kom dan zoeken we samen een elastiekje.’

Ik ben geen taalpurist, maar – ik geef het toe – wel zo’n irritant verbeteraartje. Iemand die je durft te wijzen op het verschil tussen een kop en een tas, een kleed en een jurk, iemand die eerder verandert in veeleer, die niet z’n vest, maar wel zijn jas aantrekt en die het vreemd vindt dat jij je botten aanhebt omdat het regent.

En ja, ik vind dat ook een vervelend trekje van mijzelf, maar het zit er blijkbaar ingebakken, misschien is het de beroepsmisvorming van de broodschrijver.

Na de recente mediarellen rond het koetervlaams van enkele televisiepresentatoren viel er een zware last van mijn schouders. Immers, als Verkavelingsvlaams de standaardtaal wordt (ook al begrijpen we niet altijd wat de presentator uitstoot), dan hoef ik u en mijzelf helemaal niet meer te corrigeren. Wat we onder malkander zeggen, teveetussentaal, digitale stoptaal, streetspeak… alles is juist.

Hopelijks duurt het niet te lang voor de nieuwe taalnorm overslaat naar de geschreven taal, want dat van die jurk en dat kleed begint mijn botten uit te hangen. Dan wordt schrijven pas echt kinderspel en is het juiste woord niet meer van tel. Een gemakkelijke toekomst lacht mij toe!

Dus: ‘Als ge een rekkertje gevonden hebt voor in uw haar, trek uw kleed goed, neem uw vest en we zijn voort met onze velo. Juist wat oppassen voor de mobiletten, camions en camionetten op de baan. En zet u in een de goeie vitesse als we bergop rijden. Als ge te warm hebt, steek uw vest dan maar onder de rekker op uw porte-bagage. En of het u nu aanstaat of nie, we gaan eerst om patatten vooraleer we naar de cinema gaan.’

Het is al uitkijken naar de ‘Dikke Vandael’, Groot Woordenboek van de Vlederlandse Taal.